10. Tweede helft 19e eeuw
1850 - 1900

Liverpool A Grimshaw

10.1 Tijdsbeeld

10.1.1 Industriële revolutie in Nederland

Stoomlocomotief
Stoomlocomotief uit het begin van de 20ste eeuw.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Parijs in de regen
Gustave Caillebotte
Straatbeeld van Parijs in de regen, 1877
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Domela Nieuwenhuis
Ferdinand Domela Nieuwenhuis
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

In Nederland kwam de industriële revolutie pas laat op gang. In 1853 had Nederland nog geen 400 stoommachines. Voor de industriële ontwikkeling van Nederland en het daarvoor noodzakelijke transport van grondstoffen en producten waren water- en spoorwegen zeer belangrijk. Er werden tal van kanalen gegraven. In 1872 werd de Nieuwe Waterweg geopend, wat het begin was van de welvaart van Rotterdam. De eerste spoorweg, tussen Amsterdam en Haarlem, was al in 1839 in gebruik genomen. In 1870 lag er 1419 km spoor.

Stoombootmaatschappijen namen de plaats in van rederijen die vast hadden gehouden aan de zeilvaart. Verdere tekenen van vernieuwing waren bijvoorbeeld de verschijning van:

10.1.2 Het socialisme

In de loop van de negentiende eeuw ontstond het economische stelsel dat wij nu nog steeds kennen: het moderne kapitalisme. Ondernemende mannen, in het bezit van kapitaal (geld) en productiemiddelen (fabrieken, grond, machines, grondstoffen, arbeidskrachten) organiseerden de uitwisseling van geld, goederen en diensten op zo'n manier dat zij er zoveel mogelijke aan verdienden.
Omdat het moderne kapitalisme leidde tot misstanden en tot het ontstaan van een klasse van bezitloze arbeiders, was het logisch dat er een tegenbeweging was ontstaan met kritiek op het modern-kapitalistische productiestelsel. Deze beweging was het socialisme, die zo heette omdat ze opkwam voor de sociale rechten van de arbeiders en streefde naar verbetering van hun lot.
Belangrijkste figuren van het socialisme, Karl Marx en Friedrich Engels, zijn in het vorige hoofdstuk al genoemd. De burgerlijke democratie werd door hen beschouwd als een stelsel dat de bezittende klasse in staat stelde de armen uit te buiten. Ze streefden naar een klasseloze maatschappij waarin het bezit van productiemiddelen gelijkmatig zou worden verdeeld.
In Nederland braken de socialistische ideeën door onder de bezielende leiding van Ferdinand Domela Nieuwenhuis. In 1879 richtte hij het blad 'Recht voor Allen' op. Zijn politieke vereniging werd wegens anarchistische trekjes verboden. In 1894 werd de Sociaal Democratische Arbeiders Partij opgericht, de eerste socialistische politieke partij.

10.1.3 Imperialisme

Een zekere toelevering van grondstoffen en een groot afzetgebied voor de gemaakte producten werden in het industriële tijdperk van groot economisch belang. Vandaar dat de geïndustrialiseerde landen probeerden de laatste 'vrije' stukjes aarde te koloniseren. Dit streven naar gebiedsuitbreiding heet imperialisme. Dikwijls gebeurde dat onder het mom van het brengen van beschaving, of voelde men zich zogenaamd het 'uitverkoren volk', bestemd om over de andere te heersen. De kolonisatie ging gepaard met afschuwelijke wreedheden. Nederlandse koloniën waren Nederlands Indië, Nederlands Nieuw Guinea, Suriname en de Nederlandse Antillen.

10.1.4 De kerken in de 19de eeuw

In Nederland hadden de Christelijk Gereformeerden zich al in 1834 afgescheiden van de Hervormde Kerk omdat ze die niet streng genoeg meer vonden. In 1892 werd de scheuring nog veel groter toen de Gereformeerde Kerken in Nederland zich onder leiding van Abraham Kuyper afscheidden van de Hervormde Kerk. Kuyper was overigens ook de oprichter van de eerste georganiseerde politieke partij in Nederland: de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).

In 1848 werd de achterstelling van de katholieke kerk bij de hervormde vrijwel ongedaan gemaakt. In 1853 werd de kerkprovincie Nederland en daarmee het katholieke gezag door de paus hersteld. In Utrecht werd een aartsbisschop benoemd en een aantal andere grote steden kregen bisschoppen. Ook de parochies werden hersteld maar aangezien de vroegere katholieke kerken grotendeels in bezit waren gekomen van de protestanten, moesten er zeer veel nieuwe kerken gebouwd worden.

10.1.5 Wetenschap, techniek en industrie

In de 19de eeuw werden er enorm veel ontdekkingen gedaan op het gebied van de natuurwetenschappen. Dit was vooral het gevolg van de nieuwe manier van onderzoeken: door systematisch te experimenteren in het laboratorium.

En dit is maar een kleine greep uit de enorme hoeveelheid ontdekkingen en uitvindingen die in de tweede helft van de 19de eeuw werden gedaan.
Veel resultaten van natuurkundig onderzoek werden snel toegepast in de techniek, hetzij voor de ontwikkeling of verbetering van nieuwe producten, hetzij als middel om het productieproces te verbeteren. Al snel werd technisch onderzoek een voorwaarde voor commercieel succes en daardoor een verlengstuk van de industrie.

10.1.6 Vormgeving en industrie

Galleria Umberto I
Galleria Vittorio Emanuele II, Milaan, 1867.
---
Chrystal Palace
Chrystal Palace, het tentoonstellingsgebouw voor de 1e wereldtentoonstelling in Londen in 1851.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Nadat de fabrikanten er in waren geslaagd producten te maken die technisch van goede kwaliteit waren, gingen zij er ook naar streven die producten er goed uit te laten zien. Het imiteren van modellen die vroeger met de hand werden gemaakt was niet meer acceptabel. Om die reden kwamen er kunstopleidingen speciaal voor ontwerpers.
Niet alleen de smaak van de ontwerpers liet te wensen over, ook die van het publiek moest nodig worden ontwikkeld. Als het publiek een voorkeur zou ontwikkelen voor de beter vormgegeven producten dan zou de industrie vanzelf worden gestimuleerd om zulke producten te maken.
Voor de vooruitgang van de publieke smaak als onderdeel van de algemene volksopvoeding werd het tekenonderwijs ingevoerd. Om het grote publiek in contact te brengen me de betere producten van de industrie werden grote tentoonstellingen georganiseerd. Een topper op dit gebied was de eerste wereldtentoonstelling, gehouden in Londen in 1851.
Voor deze tentoonstelling werd door de kassenbouwer Joseph Paxton een enorm gebouw ontworpen, dat uiteraard leek op een plantenkas. Op de wereldtentoonstelling lieten 15.000 verschillende inzenders uit 40 staten hun werk zien. Er kwamen meer dan vijf miljoen (!) bezoekers.
Om de industriële ontwerpers op te leiden werden speciale scholen gesticht gecombineerd met musea voor kunstnijverheid, waarin de voorbeelden ten toon werden gesteld. De wereldtentoonstelling van 1851 had grote indruk gemaakt en vele bezoekers probeerden in hun eigen land iets soortgelijks te bereiken. Het systeem van ontwerponderwijs, gekoppeld aan een museum, vond eveneens overal navolging.

10.1.7 Arts and crafts

Stoomlocomotief
Kamer van het woonhuis dr. W. van Hoorn (nu in Gemeentemuseum Den Haag).
G.W. Dijsselhof met C.A. Lion Cachet en Th. Nieuwenhuis, omstreeks 1900.

---
Centraal Station Amsterdam
Centraal Sation te Amsterdam, gebouwd tussen 1881 en 1889.
Architect was P.J.H.Cuypers 1827-1921. Cuypers inspireerde zich op voorbije bouwstijlen. Het gebouw maakt als geheel een neo-renaissancistische indruk.

---

Er waren echter ook veel mensen die meenden dat de matige vormgeving van industriële producten niet werd veroorzaakt door de ontwerpers, maar door de zielloze, machinale wijze waarop ze werden gemaakt. Er was maar één manier om kwalitatief goede dingen te maken: terug naar het ambacht en naar de middeleeuwse werkplaats, waar vele handwerkslieden eendrachtig hadden samengewerkt. In Engeland ontstond de Arts and Crafts-beweging, die er voor pleitte de band tussen kunst en ambacht te herstellen. Belangrijke namen zijn John Ruskin en William Morris. Ruskin en Morris hadden sociale motieven voor pogingen hun opvattingen over vormgeving op allerlei terreinen te verspreiden. Uiteindelijk waren de producten door hun materiaal en vormgeving erg duur en exclusief. Men combineerde gekleurd glas, smeedwerk, gietmetalen, hout enz.
Ook de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers werkte voor de bouw van zijn neogotische kerken met ateliers en gespecialiseerde ambachtslieden.

10.1.8 De positie van de beeldende kunsten

Tot aan de 19de eeuw is kunst altijd in hoge mate een neerslag geweest van de heersende opvattingen en denkbeelden. Niet de opvattingen en denkbeelden van de gehele bevolking, maar van de kleine groep die de richting van de cultuur bepaalde. Tot aan de Franse revolutie bestond deze culturele elite uit dezelfde mensen die ook maatschappelijk, politiek en economisch de macht uitoefenden.

Na de Franse revolutie kwam de macht in handen van de bourgeoisie, een klasse die niet was opgegroeid met kunst, er nauwelijks belangstelling voor had en zeker niet de neiging had kunst voort te brengen. Als de bourgeoisie toch geïnteresseerd was in kunst, dan was dat vooral als statusobject.

August Allebé
August Allebé, museumbezoek (1870).
In de 19de eeuw werden vele openbare verzamelingen ingericht. Een museum was aanvankelijk vooral een plaats waar het verleden moest worden geconserveerd; later werden musea ook gezien als middel tot `volksopvoeding'.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Bouguereau
De ontvoering van Psyche, 1895, geschilderd door de kampioen van de salonschilderkunst: William-Adolphe Bouguereau.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Omdat de nieuwe kopers zelf geen verstand hadden van kunst, lieten zij zich leiden door de nieuwe culturele elite: die van academiedocenten, kunstcritici en kunsthandelaren. Die hield van 'klassieke' kunst, 'verheven' thema's, weergegeven in een idealiserende stijl; kunstwerken die een prachtige schijnwereld toonden, maar met de eigen tijd niets te maken hadden. Jaar in jaar uit werden door de academies kunstenaars afgeleverd die technisch zeer bekwaam waren maar artistiek niets hadden te melden.
Een van de belangrijkste academies was de Ecole des Beaux Arts in Parijs. Deze organiseerde regelmatig tentoonstellingen in een salon van het Louvre (museum). Iedereen kon werk inzenden. Werd het werk door de jury toegelaten, dan betekende dat erkenning en succes voor de kunstenaar. Werd het geweigerd (refusé), dan kon je een carrière als kunstenaar wel vergeten.


De gepolijste academiestijl die op de salon werd getoond wordt salonschilderkunst genoemd.

De kenmerken zijn:

Sommige kunstenaars ging toch hun eigen weg. Zij vonden artistieke voldoening belangrijker dan een volle maag en weigerden zich aan te passen aan de geldende normen. Ze werkten niet in opdracht maar voor de vrije markt. Omdat hun werk slecht werd begrepen en nog slechter werd verkocht, leidden zij vaak een armelijk bestaan. Toch zijn zij het die een plaats hebben gekregen in de kunstgeschiedenis, terwijl hun collega's van de academie al lang zijn vergeten.


Nieuwe visies op kunst werden aangewakkerd door de opkomst van de fotografie. Er waren nogal wat kunstenaars die het onzin vonden dat de kunst zich nog steeds bezig hield met het kopiëren van de werkelijkheid terwijl daar inmiddels fotocamera's voor bestonden. Zij vonden dat de kunst er naar moest streven juist het onzichtbare zichtbaar te maken, zoals de sfeer of de boodschap en het gevoel van de kunstenaar.

In 1863 zorgde de keizer Napoleon III er persoonlijk voor dat ook de schilderijen die voor de officiële salon waren afgewezen toch aan het publiek werden getoond. Hij was het namelijk lang niet altijd met de jury eens. Dit resulteerde in de Salon des Refusés, de salon van de geweigerden.


In de 19e eeuw werden in veel landen kunstverzamelingen aangelegd en toegankelijk gemaakt voor het algemene publiek. Overheden wilden daarmee de bevolking goede smaak bijbrengen en de nationale trots vergroten. In Nederland is het Rijksmuseum een goed voorbeeld. Het huidige gebouw werd in 1885 naar ontwerp van P.J.H. Cuypers voltooid. Cuypers ontwierp voor het Rijksmuseum ook een aantal bijgebouwen waarin hij zijn firma vestigde en een tekenschool waar hij zelf les gaf. Cuypers zag in dat voor het ontwikkelen van de waarneming, het beeldend vermogen, de creativiteit en een goede smaak tekenlessen noodzakelijk waren.

10.1.9 De school van Barbizon

Millet
Jean-François Millet (1814-1875), Meisjes die aren lezen, 1857.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Gustave Courbet
Gustave Courbet, zelfportret als wanhopige.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Monet
Claude Monet: Impression, soleil levant, 1872.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Monet
Claude Monet: de kathedraal van Rouen bij zonsondergang. Monet schilderde deze kerk verscheidene keren op verschillende tijdstippen en onder verschillende weersomstandigheden om de uitwerking van de soorten licht te laten zien.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Monet Vissershut
Claude Monet: De hut van de visser, Varengeville, 1882 (museum Boijmans van Beuningen).
---

Tegen het midden van de 19de eeuw maakte een groep schilders zich los van het stadse leven en vestigde zich op het platteland in het plaatsje Barbizon, niet ver van Parijs. Ze zochten daar de harmonie van de natuur en het landleven en probeerden dat op een vlotte, ongedwongen manier op hun doeken vast te leggen. Doordat rond deze tijd verf in tubes beschikbaar kwam, konden de schilders buiten gaan werken, in direct contact met het onderwerp en in de buitenlucht (en plein air). De mensen die in hun schilderijen voorkomen zijn eenvoudige boerenmensen, zeker niet de goddelijke gestalten die men in Parijs zo graag zag. De jury van de salon kon er dan ook maar weinig waardering voor opbrengen. De schilders van de school van Barbizon bewonderden de Hollandse landschapsschilders uit de Gouden Eeuw, die zo treffend de weidsheid en winderigheid van het open land hadden weten weer te geven. De meest beroemde schilder van Barbizon is Millet. Zijn 'arenleesters' en 'angelus' zijn door hun sentimentele karakter heel populair geworden en op grote schaal gereproduceerd, dikwijls in de vorm van een borduurwerkje,

10.1.10 Realisme in de schilderkunst

Steeds vaker gingen kunstenaars gewone mensen in een gewone omgeving weergeven. Deze kunstenaars werden realisten genoemd omdat ze de voor iedereen herkenbare werkelijkheid als onderwerp hadden, niet omdat alles zo echt mogelijk, als op een foto, was weergegeven. Natuurlijk waren er in het verleden genoeg schilderijen gemaakt van gewone mensen. Maar nu werd dat gedaan vanuit een andere motivatie. De realisten zagen de gewone mensen niet als onderwerp van studie of bron van vermaak; ze namen het leven van de arbeidende klasse tot onderwerp omdat ze begaan waren met hun lot en ze vonden dat het de taak was van de kunstenaars de werkelijkheid eerlijk weer te geven, ook als die minder fraai was. Het realisme heeft daardoor steeds een sociaal karakter gehad, echter zonder dat het zich veel met politiek heeft ingelaten.

De belangrijkste schilder van deze richting was Gustave Courbet. Hij vermeed alles wat juist zo hoog in het vaandel stond bij de academieschilders. Diepere betekenissen, berekende harmonie, mooie mensen met gracieuze bewegingen....ze zijn in Courbets werken ver te zoeken. De realist schilderde wat hij waarnam, niets meer maar ook niets minder.

10.1.11 Impressionisme

Van de volgende generatie schilders waren er veel die zich aangetrokken voelden tot de eerlijke en directe manier van werken van de realisten. Zij vonden de betekenis van het schilderij onbelangrijk. Het maakte nauwelijks uit wat er op stond, het ging er om hoe het er op stond.
En daarbij streefden deze schilders er naar de werkelijkheid weer te geven zoals zij die in vluchtige momenten waarnamen. Slordig bijna - zoals de mens kijkt - uit flarden en vlekken bouwden zij hun beeld op.
De zichtbare werkelijkheid werd het enige onderwerp van studie. De schilders lieten zich niet meer leiden door diepere gedachten; kunst diende er alleen te zijn omwille van de kunst (l'art pour l'art).
Deze schilders realiseerden zich dat wat zij waarnamen niet meer was dan licht, dat door weerkaatsing een bepaalde kleur en helderheid verkrijgt. Het was het licht dat hen interesseerde, en niet zozeer hetgeen het weerkaatste.
Om de werking van het licht te bestuderen werkten de schilders buiten. Omdat het licht voortdurend veranderde, moesten de schilders snel werken. Daarom gebruikten zij fabrieksverf in tubes, die steeds beter van kwaliteit werd. De heldere kleuren verf werden met snelle streken op het doek aangebracht om de licht- en kleureffecten op te roepen.
De eerste schilder die deze werkwijze beoefende was Claude Monet. In 1874 hing op een tentoonstelling van het werk van hem en zijn geestverwanten zijn schilderij Impression, Soleil levant (Impressie, zonsopkomst). Een kunstcriticus gaf naar aanleiding van dat schilderij de manier van schilderen de naam impressionisme.
Andere beroemde impressionisten zijn Pierre-Auguste Renoir en Camille Pisarro.

Een bijzondere plaats onder de impressionisten werd ingenomen door Edouard Manet. Hij had een academische kunstopleiding genoten en was een groot bewonderaar van veel oude kunst. Zijn werk vertoonde dikwijls gelijkenis met werk van oude grote meesters als Rafaël, Ingres of Goya, al had het een frisse directheid die voor die tijd ongebruikelijk was. Toch veroorzaakte zijn werk veel opschudding. Met name door zijn weergave van de naakten in schilderijen als Déjeuner sur l'herbe en Olympia. Al week het werk van Manet in veel opzichten af van het werk dat de impressionisten maakten, werd hij door hen vanwege zijn nieuwe kijk op de schilderkunst toch als hun leider beschouwd.

De impressionisten werkten aanvankelijk vooral buiten. In sommige gevallen maakten zij gebruik van foto's om het moment te kunnen vastleggen, waardoor toevallige beeldafsnedes en poses ontstaan. Ook het nacht- en uitgaansleven wordt steeds meer een bron van inspiratie. Dat uitgaansleven bloeide tegen het einde van de eeuw enorm op, mede dankzij het ontstaan van nieuwe vormen van kleinkunst als de revue, het variété en het cabaret. De schilder Degas was buitengewoon gefascineerd door het ballet.

10.1.12 De Haagse school

Mauve
Anton Mauve, Bomschuit op strand, 1882 (detail).
---

De nieuwe Franse richting viel in de smaak bij de Hollanders, die altijd al gefascineerd waren geweest door het licht. De 'Hollandse impressionisten' woonden en werkten vooral in Den Haag, waardoor ze beter bekend zijn onder de naam Haagse School. De schilders van de Haagse School namen de werkwijze van de Franse schilders over, maar bij hen leidde dat niet tot dezelfde sprankelende kleurenpracht. Het Nederlandse landschap van klei en modder, vochtige polders en brede rivieren, een woeste zee en voorbijrazende wolken leidde bij een directe registratie van de waarneming uiteraard tot andere schilderijen. De leidende figuur was Jozef Israëls. Verder waren er Hendrik Willem Mesdag, Anton Mauve, Gerke Henkes en de gebroeders Maris: Jacob, Matthijs en Willem.
Ook in Amsterdam werden schilders beïnvloed door de impressionisten. De bekendste van hen is George Hendrik Breitner.

10.1.13 Architectuur

Werkplaats Cuypers
Toegang tot de voormalige werkplaats van het bedrijf van Pierre Cuypers in Roermond.
---

In plaats van in de toekomst te kijken koesterden de architecten het verleden. Het opnieuw gebruiken van oude stijlen in zogenaamde neostijlen is in het vorige hoofdstuk al ter sprake gekomen. Veelzeggend is dat men in Keulen na 500 jaar besloot de gotische kathedraal af te bouwen. In Frankrijk had Viollet le Duc met zijn talrijke restauraties en reconstructies de middeleeuwen weer tot leven gewekt, in Nederland deed P.J.H. Cuypers hetzelfde.
Van zijn hand zijn verder tientallen nieuwe kerken die na het herstel van de rooms-katholieke hiërarchie in neogotische stijl werden gebouwd. Het Rijksmuseum en het Centraal Station in Amsterdam bouwde hij in neorenaissance-stijl. Typisch voor zijn tijd is de wederopbouw van kasteel Haarzuilens, dat door Cuypers de gedaante kreeg van een sprookjesslot.

10.1.14 Kunstwerken van weg- en waterbouw

Tot de 19de eeuw heeft de architectuur steeds uitdrukking gegeven aan wat er speelde in de maatschappij. In de 19de eeuw is dat veranderd. Er was in het geheel geen sprake meer van een eigentijdse stijl. Als we de ontwikkelingen in de 19de eeuw willen volgen kunnen we beter kijken naar bruggen, stationsoverkappingen en fabriekshallen. Daar is geëxperimenteerd, gewerkt met nieuw materiaal - (giet)ijzer - en een vormgeving gezocht die paste bij het rationalistische karakter van de tijd. Nog veel meer mogelijkheden ontstonden toen in 1856 een goedkope en snelle methode werd ontwikkeld om staal te maken. Vele grote bruggen maar ook de Eifeltoren (1889) getuigen van de mogelijkheden die dit staal te bieden had.

10.1.15 Letterkunde

Romantiek en realisme treden ook in de literatuur gelijktijdig op. Sommige schrijvers hebben zowel romantische als realistische werken op hun naam staan, maar over het algemeen is het realisme een reactie op de romantiek. Realistische schrijvers streven naar een volledige en objectieve weergave van de werkelijkheid en net als bij de schilders is hun werk vaak min of meer maatschappijkritisch. Voorbeelden zijn Charles Dickens, Tolstoj en Honoré de Balzac.
De eerste Nederlandse moderne schrijver was Eduard Douwes Dekker. In 1860 verscheen onder de schuilnaam Multatuli zijn beroemde werk Max Havelaar, over de praktijken van bestuursambtenaren in Nederlands-Indië.
Het realisme ontwikkelde zich verder in het naturalisme, dat streefde naar een nog exacter feitelijk registreren van het leven van de personages. Hun levensloop ligt al min of meer vast door erfelijkheid en milieu: aan hun lot kunnen zij niet ontkomen. Sociale kritiek is kenmerkend voor het naturalisme, seks en geweld worden niet meer verdoezeld. Emile Zola was de leidende figuur van de naturalisten. Een goed voorbeeld van naturalisme in Nederland is het werk van Louis Couperus ('Eline Vere', 1889; 'Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan', 1906)

De Nederlandse poëzie werd rond het midden van de eeuw gedomineerd door dichtende dominees en theologen, die streefden naar verdieping van het geestelijk leven en die gekunstelde verzen schreven.
Nicolaas Beets, pseudoniem Hildebrand, had in 1839 nog wel de meesterlijke Camera Obscura geschreven (waarin hij een scherp beeld gaf van de mens van zijn tijd met al zijn deugden en gebreken) maar nadien hield ook hij zich voornamelijk bezig met vormelijke vrome verzen.

Als reactie op de betekenisloze domineespoëzie vormde zich een groep van jonge schrijvers en dichters die de Tachtigers werd genoemd, naar de tijd van hun optreden. De tachtigers stichtten een nieuw tijdschrift De Nieuwe Gids waarin zij hun gedichten en proza konden publiceren. Redactieleden waren onder meer Frederik van Eeden (schrijver van De kleine Johannes) en Albert Verwey. Willem Kloos was redactiesecretaris en leider van de Beweging van Tachtig.
Een van de letterkundige medewerkers van De Nieuwe Gids was Herman Gorter, schepper van het gedicht Mei, een van de hoogtepunten uit de Nederlandse dichtkunst.

10.1.16 Muziek

Giuseppe Verdi
Portret van de componist Giuseppe Verdi (1813-1901).
Verdi vertegenwoordigde net nationalisme in de Italiaanse muziek. De letters waaruit zijn achternaam bestond kregen dan ook de betekenis: Victor Emanuel Re D' Italia. (Victor Emanuel, koning van Italië.)
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

De opera heeft in deze tijd twee grootheden gekend.
Richard Wagner brak met de traditie door zijn opera's aan één stuk te laten verlopen, zonder afzonderlijke 'nummers' te vormen (Unendliche Melodie). Het verhaal, het drama, werd overheersend: de poëzie, de muziek, de beweging en het decor stonden in dienst van het verhaal. Voor het eerst werd de muziek gebruikt om de handelingen en emoties op het toneel te versterken. Hoogtepunten uit zijn oeuvre zijn Tristan und Isolde en Die Meistersinger von Nürnberg. Gedurende twintig jaar van zijn leven werkte hij verder aan de gigantische cyclus Der Ring des Nibelungen die vier avonden zou duren. Zijn stof putte Wagner hiervoor uit de Germaanse mythologie - de ondergang van de goden door begeerte naar geld en macht.
De eerste uitvoering van de Ring had plaats te Bayreuth in Beieren, in een theater dat speciaal voor Wagners werken was gebouwd: het Festspielhaus.

In hetzelfde jaar als Wagner was in Italië Giuseppe Verdi geboren. Een man die in roem te vergelijken is met Wagner, maar tegengesteld qua stijl. Bij Verdi is de tekst ondergeschikt aan de muziek en zijn opera's zijn ingedeeld in afzonderlijke nummers, aria's, duetten, koren enz. Hoogtepunten van zijn werk zijn Rigoletto, Il Trovatore, La Traviata. Zijn Aïda werd een echte grand opéra, die in het oude Egypte speelt, inclusief een triomfmars en een ballet.

Zonder verder op hun werk in te gaan, noemen we hier nog de namen van de belangrijkste symfonische componisten uit deze periode: Johannes Brahms, Peter Iljitsj Tsjaikowski (westerse romantiek gecombineerd met Slavische muziek), Gustav Mahler (laat-romantiek), Claude-Achille Debussy (impressionisme)

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


Adolph von Menzel, Eisenwalzwerk

10.2.Dagelijks leven

10.2.1 De moderne tijd doet haar intrede

Het jaar 1848 was een jaar waarin opnieuw in heel Europa opstanden uitbraken; in februari in Parijs en in maart in veel andere Europese steden. In Nederland braken rellen uit in Amsterdam en Den Haag. Over het algemeen was men ontevreden over het ondemocratische en conservatieve karakter van de bezittende klasse, de staatshoofden en overheden. Overal klonk de roep om meer zeggenschap van het 'gewone' volk en om verandering van de grondwet.
In Nederland leidde de nieuwe grondwet onder meer tot vrijheid van onderwijs, vrijheid van vereniging en vergadering, van meningsuiting en drukpers. In de volgende jaren werden tal van nieuwe wetten aangenomen die de politiek een modern aanzien gaven. Afschaffing van de doodstraf, afschaffing van kinderarbeid, het instellen van een arbeidsinspectie en van leerplicht, een verbeterde sociale wetgeving - waardoor arbeiders en hun gezinnen beter waren beschermd tegen uitbuiting door hun werkgevers - zijn er een paar voorbeelden van.
Het beeld van de steden veranderde ingrijpend. De oude steden veranderden van karakter door de toevoeging van spoorbruggen, rangeerterreinen, stations, havens, kranen en fabrieken met hun rokende schoorstenen. Het dagelijks leven veranderde door nieuwigheden als trams, elektriciteit, gasverlichting, telefoon en waterleiding.

*

10.2.2 Stadscultuur

Daumier Melodrama
Honoré Daumier, Het Drama (ca. 1860).
Het schilderij laat een nogal overdreven, melodramatische gebeurtenis zien. Een acteur, vermoedelijk de rivaal van de man die op het podium staat, ligt al op de grond. De dader triomfeert en bedreigt tegelijkertijd de vrouw, die van angst flauw valt. Het publiek leeft enorm mee. Het lijkt erop dat Daumier vooral geïnteresseerd was in de sensatiezucht van het publiek.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Gedurende de 18de en 19de eeuw is de samenleving van West-Europa veranderd van een cultuur waarin vooral de adel het voor het zeggen had in een cultuur die door burgers werd gedomineerd. Een maatschappij van standen werd vervangen door een maatschappij van sociale klassen. De cultuur van het platteland, met grote sociale controle en onderlinge betrokkenheid, werd door velen verruild voor de anonimiteit van de grote stad. In de moderne stad was men op zichzelf aangewezen, vrij maar ook alleen. De lotsverbondenheid met de medemens ging verloren en het individualisme stak de kop op. De stadsmensen vervreemdden van de natuur. Terwijl ze de natuur bedwongen, dwongen ze zichzelf in het gareel van de organisaties en machines die ze zelf bedachten.

In het kapitalisme werd alles gezien in het licht van vraag en aanbod. Alles werd koopwaar en van het persoonlijke karakter ontdaan. De cultuur werd daardoor heel zakelijk en afstandelijk, met name in de grote steden.
De stad was in de eerste plaats een grote massa arbeidskrachten en consumenten. Als consumenten kochten de stedelingen de producten die de industrie maakte, in grote hoeveelheden zodat de prijs laag kon zijn; als arbeidskrachten vormden zij het reservoir waaruit de industrie bijna onbeperkt en tegen lage kosten kon putten.
De massaproductie kon niet tegemoet komen aan persoonlijke smaak. De massa leerde genoegen nemen met een paar standaardmodellen van ieder product. Zelfs in de woningbouw sloeg de eenvormigheid toe. Comfort en gemak verdrongen schoonheid en stijl. Kwantiteit verdrong kwaliteit. De oplage, de verkoopcijfers, de winst, de bezoekersaantallen, het aantal onderscheidingen.....het getal werd maatstaf van succes. En ieder getal was te herleiden tot geld. Wanneer iets niet op een of andere manier in geld kon worden omgezet, was het nutteloos.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


10.3Uit de kunst

10.3.1 Edouard Manet (1832-1883)
Déjeuner sur l'herbe (oorspronkelijke titel le Bain) 1863
Olieverf op doek 2 x 2,64 meter

Déjeuner sur l'herbe
Edouard Manet: Déjeuner sur l'herbe.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---
Déjeuner sur l'herbe
Gravure naar Rafaël: het oordeel van Paris.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Centraal op de voorstelling zijn drie figuren, zittend in het gras. Twee keurig geklede heren en een naakte dame. De dame en heer links kijken achteloos de schilder (toeschouwer) aan. Achter de drie is een andere dame aan het baden in een waterplas. De compositie van de drie figuren is vrijwel ongewijzigd overgenomen van een gravure die in de 16de eeuw werd gemaakt naar 'het oordeel van Paris' van Rafaël.
Dit schilderij werd door de Salon geweigerd, maar ook toen Manet het exposeerde in de Salon des refusés brak een storm van protest en verontwaardiging los.
Sinds de renaissance waren geschilderde naakten volledig geaccepteerd. Tenminste...als het naakt werd geschilderd om de schoonheid te laten zien van bijvoorbeeld een godin als Venus. Het naakt moest dus worden verpakt in iets edels en verhevens wilde het door de beugel kunnen. In het schilderij van Manet is van zo'n verhevenheid beslist geen sprake. De vrouw die hier is afgebeeld is geen klassiek naakt maar een gewone blote vrouw, wier blootheid nog wordt benadrukt door de geklede heren. Zo'n voorstelling vond men in die tijd heel banaal.
Daarbij komt nog dat Manet de academische regels van de kunst met de voeten trad. Zo is de naaktfiguur heel licht geschilderd ten opzichte van de omgeving. Door de geringe nuanceringen in licht en schaduw lijkt zij heel plat. De kleuren in het schilderij vloeien niet in elkaar over maar staan hard tegen elkaar. Verder is het schilderij heel schetsmatig, het lijkt wel niet af.
Manet had helemaal niet de bedoeling revolutionair te zijn, maar door zijn eigenzinnige werkwijze werd hij dat wel. De gevestigde academieschilders en de critici zagen in zijn werk de voorbode van een artistieke revolutie die hun comfortabele wereld van vaste waarden omver zou werpen. De jonge schilders zagen in hem een held, die eindelijk waagde het op te nemen tegen de gevestigde elite die ontwikkelingen in de kunst probeerde tegen te houden. Een beetje per ongeluk dan ook werd hij de leider van de impressionisten.

10.3.2 Claude Monet (1840-1926)
Station Saint-Lazare, 1877
Olieverf op doek, 0,76 X 1 meter

Station Saint-Lazare
Claude Monet: Station Saint-Lazare.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Wat de impressionisten schilderden maakte hen niet zo veel uit. Hun onderwerpen liepen uiteen van landschappen tot bordeelscènes, van stadsgezichten tot industriegebieden. Toen Monet Nederland bezocht ging zijn belangstelling vooral uit naar Amsterdamse grachten, Zaandam, molens en bollenvelden, niet de meest originele plekken dus. Gefascineerd raakten ze vooral door interessante spelingen van licht en kleur, en die konden zich overal voordoen. Op het station bijvoorbeeld.
Op vele manieren gebeurt hier iets met het licht. Buiten is het zonnig, onder de overkapping dringt het warme licht gefilterd binnen. Gefilterd wordt het ook door de rook en stoom die de locomotieven uitbraken, waardoor tegelijk de vormen vervagen tot eenvoudige vlekken.
Monet weet weergaloos de sfeer van het station op een zonnige dag te treffen door op het doek te noteren hoe hij licht en kleur beleefde. Daarmee liet hij de fotografie, die net was uitgevonden en een 'perfecte' registratie van de werkelijkheid zou zijn, al weer achter zich. Kijk maar eens wat een foto van hetzelfde station, ook op een mooie zonnige dag gemaakt (maar dan 115 jaar later), oplevert.

De impressionisten hielden er van de voorstellingen bij de kijker op te roepen met eenvoudige schilderkunstige middelen - Monet schilderde geen stoomlocomotief maar een vage vlek die bij de kijker weer een stoomlocomotief oproept. Ze tekenden de dingen niet tot in details uit, ze suggereerden ze.

De overkapping van het station dat op het schilderij is afgebeeld is een aardig voorbeeld van het gebruik van ijzer in de 19de eeuw. Terwijl de representatieve gedeeltes van de gebouwen gebouwd werden in de een of andere neostijl, paste men in fabriekshallen, plantenkassen en stationsoverkappingen al volop nieuwe constructiemethoden toe met ijzer en glas.

10.3.3 Auguste Rodin
De burgers van Calais (1884-1886)
brons

Eiffeltoren Parijs
Burgers van Calais
Auguste Rodin: De burgers van Calais.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Rodin wordt over het algemeen gezien als de eerste geniale beeldhouwer sinds Bernini. Dikwijls wordt hij vergeleken met de impressionisten omdat de vele vlakjes waaruit 'de huid' van zijn beelden bestaat een gevarieerd spel van licht en donker te zien geven. Dat komt doordat in 'de huid' de sporen van het bewerken nog goed zijn te zien. Dat Rodin vanwege de lichtreflecties die sporen heeft laten zitten is niet waarschijnlijk. Rodin werkte meestal in klei of was en van zijn beelden werden pas later bronzen afgietsels gemaakt. Het ligt meer voor de hand dat Rodin in zijn beelden wilde laten zien hoe de vormen als het ware uit het materiaal waren 'gegroeid', hoe de dode materie onder zijn handen tot leven was gewekt. Daarom polijstte hij de sporen van dat proces niet weg.
Door de vlotte, schetsmatige werkwijze kon Rodin zich weer veel meer aandacht permitteren voor de inhoud van zijn beelden. Na de zielloze, harde en bedachte beelden van het classicisme en de gekunstelde gevoelsuitdrukking van de romantische beeldhouwkunst werd het weer tijd voor oprechte emotie en realisme. Sommige beelden waren zo levendig dat sommigen beweerden dat Rodin afgietsels maakte van echte mensen.

De afgebeelde beeldengroep is gemaakt naar aanleiding van de volgende geschiedenis:
In 1347 werd Calais door Engelse troepen belegerd. Toen de bevolking na een jaar genoodzaakt was zich over te geven, beloofde de Engelse koning de stad en haar inwoners te zullen sparen wanneer zes aanzienlijken uit de burgerij zich aan hem zouden overgeven, zodat hij met hen 'kon doen wat hij wilde'. Er meldden zich wonderwel zes vrijwilligers die, slechts gekleed in een hemd, naar het vijandelijke kamp gingen, waar de beul al op hen wachtte. Toen echter gaf de Engelse koning de zes burgers onverwacht genade.
Elk van de mensen is bij Rodin een heel eigen persoonlijkheid geworden met een heel eigen karakter. Als totaal is de beeldengroep een aangrijpend beeld van menselijk lijden.

10.3.4 Alexandre Gustave Eiffel (1832-1932)
Eiffeloren, Parijs (1889)

Eiffeltoren Parijs
Eiffeltoren

Gustave Eiffel was een Frans ingenieur die al op jeugdige leeftijd bekendheid verwierf met de constructie van stalen bruggen. Zijn nieuwe methodes voor het construeren grote stalen geraamten resulteerden in de bouw van de Eiffeltoren.
In Parijs werd in het jaar 1889 een wereldtentoonstelling georganiseerd, mede om het eeuwfeest van de Franse Revolutie te vieren. De Eiffeltoren was een van de objecten op die tentoonstelling. Ingenieur Eiffel had een half mensenleven moeten vechten tegen mensen die zijn project als onmogelijk zagen en hemzelf als een gevaarlijke gek, die ze beter konden opsluiten. Welke dwaas zou ooit geloven dat een toren van meer dan 300 meter hoog uit zichzelf zou blijven staan? De toren zou zeker een ramp worden voor de stad. Men heeft zeker het technisch vernuft van ingenieur Eiffel onderschat, want de toren staat er nog. En hoewel ook Eiffel dat nooit gedacht zal hebben is de toren in plaats van een ramp een zegen voor de stad gebleken. De toren fungeerde namelijk al vlug als magneet voor het toeristenverkeer. Na een aantal jaren waren de kosten van de bouw teruggewonnen en begon de toren geld op te brengen.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


10.4 Stijlkenmerken salonschilderkunst (samenvatting)

Algemene karakteristiek

Amor en Psyche van Bouguereau
William-Adolphe Bouguereau, Amor en Psyche (1899).
Afbeelding: wikimedia commons

---

Met 'salonschilderkunst' bedoelen we de gepolijste academiestijl die tot het einde van de 19e eeuw de smaak van de bourgeoisie volgt. De 'salon' is een tentoonstelling waarop de Académie des Beaux Arts de beste kunstenaars presenteert. Een jury bepaalt wie er wel en wie er niet mag exposeren. Vooruitstrevende en vernieuwende kunst wordt meestal geweigerd.

Het verzet tegen de behoudende smaak van de Salons, is een van de stimulerende factoren voor het ontstaan van de moderne schilderkunst in de 19de eeuw.


Inhoud

Favoriet zijn:

Vorm

Functie

Amusement. Statusverhogend voor de eigenaar.


© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel. Lees de gebruiksvoorwaarden.


10.5 Stijlkenmerken realisme (schilderkunst, samenvatting)

Algemene karakteristiek

Door de industrialisatie ontstaat er een grote trek naar de steden. De arbeiders leiden daar een hard, ongezond en troosteloos bestaan. Door de ontvolking van het platteland slaat ook daar de armoede toe. Veel mensen vluchten weg in de schijnwereld van romantiek en salonkunst. Er zijn er echter ook kunstenaars die juist geïnteresseerd zijn in het leven van de eenvoudige en arme mensen. Dat zijn de realisten.


Realistische schilderkunst

Gustave Courbet
Gustave Courbet, Bonjour, Monsieur Courbet (1854).
Afbeelding: wikimedia commons

---

Inhoud

Belangstelling voor het 'echte' en 'eerlijke' leven van het 'gewone volk'. Onderwerpen waren: de natuur en werkende, gewone mensen in de eigen tijd.


Vorm

Functie

De echte realist zou geen sociale bijbedoelingen moeten hebben, maar het tonen van het harde leven van arme mensen leidt er natuurlijk toch toe dat de beschouwers van die kunstwerken aan het denken worden gezet.


© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel. Lees de gebruiksvoorwaarden.


10.6 Stijlkenmerken impressionisme (samenvatting)

Impressionistische schilderkunst

Inhoud

Berthe Morisot
Berthe Morisot, De Spiegel van de Ziel (1876).
---
Berthe Morisot
Detail van hetzelfde schilderij.
---

Het realisme was de eerste stroming in de schilderkunst die brak met de schilderkunstige tradities. De individuele waarneming van de werkelijkheid werd de nieuwe maatstaf.

De impressionisten gaan daar nog verder in. De duiding van wat ze zien doet er niet meer zo toe. Wat hun vooral interesseert is de pure registratie van het waargenomen licht. De kunstwerken gaan dus niet meer over mensen, dieren, dingen of gebeurtenissen, maar over de beeldaspecten licht en kleur.

Het beeldende onderzoek van de impressionisten is puur visueel: voorwerpen kaatsen lichtstralen terug en deze licht- en kleurreflecties bepalen wat men waarneemt. Wat men waarneemt probeert men op het doek te registreren. Men is geïnteresseerd in de effecten van verschillende soorten weer, verschillende tijdstippen op de dag en verschillende jaargetijden, kortom: in sfeer.

De onderwerpen zijn zonder pretenties: de stad en allerhande activiteiten in die stad, vrijetijdsbesteding binnen en buiten, landleven, landschap, enz.


Vorm

De impressionisten schilderen meestal naar de waarneming. Licht en sfeer veranderen voortdurend. Om een de stemming van een ogenblik vast te leggen, moeten ze dus heel snel werken wat is te zien aan een snelle, schilderachtige schildertoets en weinig details.

Soms gebruikt men foto's als hulpmiddel. Dat leidt tot merkwaardige, 'toevallige' beeldafsnijdingen.

Kleuren worden vaak 'optisch gemengd', op het doek. Dat wil zeggen dat toetsen van verschillende kleuren bij elkaar op het doek worden gezet die van een afstand de illusie van hun mengkleur oproepen.

Helderheid van kleur wordt met het plaatsen van de complementaire kleuren versterkt.


Functie


Ook de impressionisten menen dat kunst op zichzelf staat en geen functie nodig heeft (L'art pour l'art).

Tegen het midden van de 19e eeuw komen de kunstkritiek en de kunsthandel op. Die nemen geleidelijk aan de rol van de salonjury's over. De kunsthandel kan stimulerend en sturend optreden. Meer en meer worden kunstwerken als objecten van belegging en speculatie beschouwd.


Impressionistische beeldhouwkunst

Inhoud

Na het tamelijk bloedeloze neoclassicisme proberen verscheidene beeldhouwers door de materiaalbehandeling en door de houding en uitdrukking van hun figuren ook iets diepers - zoals emoties en een karakter - te laten zien. Men spreekt dan wel van 'psychologisch realisme'.


Vorm


Functie

Ter versiering van graven, monumenten en gebouwen





Valid HTML 4.01 Transitional