6. Renaissance
1400 - 1550

Palazzo renaissance

6.1 Tijdsbeeld

6.1.1 Wedergeboorte

Palazzo Vecchio
Het Palazzo Vecchio (1298-1314) in Florence was aanvankelijk zetel van de 'priori', de burgerlijke bestuurders van de stad.
---
Piazza dei Signori, Verona
Herenplaats (Piazza dei Signori) in Verona. Verona werd een vrije 'comune' in 1136. In 1262 kwamen de Scaligeri er aan de macht.
---
Carpaccio Ambassadeurs
Stadsbeeld van VenetÔe, geschilderd door Carpaccio. De voorstelling gaat over de terugkeer van twee ambassadeurs.
---
Zwitserse Garde
Privť-legertjes van renaissancevorsten bestonden uit huurlingen. Zwitsers waren zeer gevraagd als huursoldaat. De pauselijke garde bestaat nog steeds uit Zwitsers. Hun uniform is volgens het ontwerp van Michelangelo.
---

Het Italiaanse woord "rinascita" betekent "opnieuw geboren worden". Het werd door Giorgio Vasari (1511-1574) gebruikt in zijn kunstenaarsbiografieŽn om aan te geven dat de grote kunstenaars uit zijn tijd zich bevrijdden van de middeleeuwse vormgeving en terugkeerden naar de Romeinse vormen waarbij Michelangelo - volgens hem - de klassieke voorbeelden zelfs overtrof. Het Franse woord 'renaissance' werd als aanduiding voor een periode uit de kunst- en cultuurgeschiedenis gebruikt vanaf de 19e eeuw. Het woord 'wedergeboorte' heeft hier dus betrekking op de wedergeboorte of herontdekking van de cultuur van de oudheid. En inderdaad, vanaf 1400 raakte de kunst doordrenkt van antieke vormen.
Toch is de renaissance in de eerste plaats de revolutie van kooplieden die een wereldlijke cultuur vestigden, van burgers die zich ervan bewust werden dat zij deel uitmaakten van een nieuwe, onafhankelijke politieke macht: de stadstaat.


In de vroege middeleeuwen waren de adellijke heren op het platteland altijd de baas geweest. Vanuit hun kastelen hadden zij het omringende land beheerst en de boeren die daar leefden als hun dienaren beschouwd.

Daarin kwam verandering toen er op het platteland meer voedsel werd geproduceerd dan men nodig had en er meer mensen werden geboren dan voor de productie van voedsel nodig waren. Sommige mensen konden zich daardoor gaan toeleggen op de handel of op een bepaald ambacht. De ambachtslieden moesten hun grondstoffen van iemand kopen en hun producten aan iemand vťrkopen. Dat gebeurde op lokale markten of door de kooplieden die over steeds grotere afstanden reisden. De ambachtslieden en kooplieden waren voor hun voedsel afhankelijk van boeren, herders en vissers, die hun producten ook weer op markten verkochten. Kooplieden en ambachtslieden vestigden zich dus graag in elkaars nabijheid ťn op plaatsen waar markten werd gehouden. Vanaf de tiende eeuw ontstonden op deze manier veel nieuwe steden; en de oude steden, die meestal dankzij een bisschop sinds de oudheid bewoond waren gebleven, groeiden snel.
Op den duur zat er voor de heren weinig anders op dan de zelfstandigheid van de steden te erkennen en aan de stad bepaalde rechten en privileges toe te kennen. Het belangrijkste was het recht op eigen rechtspraak omdat het oude kerkelijke recht uit de feodale tijd niet voldeed om de complexe stedelijke samenlevingen te regelen en de steden dus dringend een eigen recht nodig hadden.

Burgers in het bestuur

Uiteindelijk verwierven de steden ook het recht om stadsmuren te bouwen, markt te houden, tol te heffen, goederen te wegen en soms zelfs om eigen munten te slaan.
In de stad moesten bruggen worden gebouwd, de stadsverdediging worden georganiseerd, de orde worden gehandhaafd, straten, riolen en kanalen worden aangelegd ťn onderhouden.
Voor dat alles was een goed stadsbestuur, dat oog had voor de belangen van de burgers, een vereiste. In alle steden ontstonden daarom bestuurlijke instellingen waarin burgers een zekere mate van zeggenschap hadden. Zo'n bestuur moest al die praktische zaken regelen en uiteindelijk vooral de economische belangen van de burgers dienen.
De burgers probeerden de oude adel zoveel mogelijk buiten spel te zetten, en dat lukte.
In Florence, in ItaliŽ, kregen de gilden veel macht. De negen leden van het Florentijnse stadsbestuur, de prioren, waren allemaal afkomstig uit de gilden. De leiders van Florence vonden hun bestuur zů democratisch dat zij hun stad - naar antiek voorbeeld - een 'republiek' noemden.

Nieuwe vorsten

Alle steden kregen in de loop van de middeleeuwen hun bestuurlijke instellingen en magistraten, maar nergens lukte het om de belangen van de verschillende families langdurig ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. De voortdurende conflicten en strijd om de macht van die families belemmerden de ontwikkeling van de steden en het is dan ook niet zo verwonderlijk dat er weinig protest kwam wanneer een familie erin slaagde de andere te onderwerpen en de macht voor langere tijd naar zich toe te trekken. Dan heerste er tenminste even rust en konden de kooplieden en bankiers hun zaken doen. Er was zelfs weinig weerstand wanneer deze zelfbenoemde heren hun ambt overdroegen op hun familie en dus in feite erfelijk maakten. In veel steden van Noord-ItaliŽ kreeg op den duur zo'n familie het voor het zeggen.

Cancelleria
Rome, binnenplaats (cortile) van het Palazzo della Cancelleria.
---
Via Garibaldi
De Via Garibaldi in Genua is een van de best bewaarde straten uit de renaissance.
---

Zo waren halverwege de 15e eeuw in Milaan de Sforza's aan de macht, In Ferrara de familie d'Este, in Mantua de familie Gonzaga, in Rimini de familie Malatesta, in Urbino de familie Montefeltro en ga zo maar door. In Florence hadden de Medici de macht, al stelden zij zich terughoudend op en hielden zij de bestuurlijk instellingen van de Republiek in stand.

Gilden

Florence was in die tijd de rijkste stad van de wereld. Daar werd net zo veel verdiend als in heel Engeland bij elkaar. Die rijkdommen kwamen vooral ten goede aan het 'popolo grasso', de leden van wat in Florence de vette gilden werden genoemd: de wolhandelaren, de lakenhandelaren, de bankiers, de zijdewevers, de bontwerkers, de artsen en apothekers. Deze gilden vormden de belangrijkste machtsfactor in de stad. Ieder gilde had een stadspaleis met kantoren, archieven, kanseliers en penningmeesters en zelfs een rechtbank. De leden konden er terecht als zij hulp nodig hadden en als zij die niet nodig hadden betaalden zij contributie zodat met hun geld andere leden van het gilde geholpen konden worden maar ook om bij te dragen aan de bouw en versiering van de kathedraal, aan de gilde-altaren in de kerken en aan de verfraaiing van de gebouwen van het gilde zelf. Ook de ambachtslieden hadden zich verenigd in gilden: de zadelmakers, de slagers, de timmerlieden, de schoenmakers enzovoorts.


Palazzo Farnese
De kerk Or San Michele met twee van de veertien nissen die dienden als gilde-altaren.
---
San Marco, Donatello
Beeld van de Heilige Marcus (1411-1413), door Donatello.
---

Overal in Florence hebben de gilden hun sporen nagelaten, maar nergens zo duidelijk als op de kerk van Or San Michele.
Het zijdegilde had gevraagd nissen met beelden in de buitenwanden van het gebouw te mogen aanbrengen ter ere van de gildeheiligen. In 1404 werd daarvoor toestemming gegeven. In de jaren daarna werden langzamerhand de nissen gemaakt, veertien in totaal, en gevuld met beelden van heiligen. Zo presenteerden de gilden zich met prachtige kunstwerken aan de Florentijnse bevolking en stelden zij zich symbolisch onder bescherming van de Heilige Maagd die in de kerk aanwezig was. Op de feestdag van een gildeheilige werd door leden van het betreffende gilde een mis opgedragen aan een verplaatsbaar altaar dat voor het heiligenbeeld was opgesteld.


Behalve dat de beelden van Or San Michele tonen dat de gilden in de stad een factor van betekenis zijn geworden, laten zij ook zien hoezeer de beeldhouwkunst aan het veranderen was. De beeldhouwer Donatello maakte tussen 1411 en 1413 voor het gilde van de linnenwerkers en kleermakers dit beeld van de evangelist Marcus. Voor het eerst sinds de klassieke oudheid zijn hier de mechanische wetten van het menselijk lichaam consequent doorgevoerd. De figuur staat alsof hij zijn gewicht heeft verplaatst boven ťťn been, het standbeen. De schouder boven het belaste been zakt en de ontspannen schouder gaat juist omhoog. Het hoofd kantelt iets naar de kant van de gezakte schouder. Het linkerbeen is ontspannen en de rechterarm ook; terwijl het rechterbeen en de linkerarm juist gespannen zijn. Dit spel van tegenstellingen heet in het Italiaans contrapposto en het maakt de figuur levendig en natuurgetrouw. Donatello hield niet meer vast aan de schematische vormgeving zoals die in de middeleeuwen gebruikelijk was, maar hij bestudeerde en analyseerde zorgvuldig de natuur. Deze rationele, onderzoekende houding is kenmerkend voor de omwenteling in de cultuur die door de ontwikkeling van de steden in gang was gezet.

6.1.2 De renaissance en het grote geld.

Op het platteland had de kerk altijd het monopolie op de cultuur gehad. Er was niemand die dat monopolie ooit aanvocht, want zelfs de hoge heren waren analfabeet. De priester kon schrijven en de bijbel lezen en had daardoor het monopolie op de geopenbaarde waarheid. In de steden veranderde dat. De arbeiders, ambachtslieden, kooplieden en bankiers in de steden leefden in een wereld van machines en processen die geregeld werden door de wetten van oorzaak en gevolg. Zij gingen daarom op zoek naar de natuurlijke oorzaken van de verschijnselen en niet meer naar de bovennatuurlijke. Zij richtten zich niet meer alleen op de bijbel, maar ook op de wetenschap. Hun ontmoetingsplaats was het gilde, waar problemen worden besproken die niets met de ziel en met God te maken hebben.

Rathaus Augsburg
Stadhuis van Augsburg (1615-1624).
Het stadhuis van Augsburg geldt als één van de belangrijkste gebouwen uit de renaissance buiten ItaliŽ.

---
Fugger Privatbank
De naam 'Fugger' leeft nog altijd voort in Augsburg.
---
Jakob Fugger
Jakob Fugger ('De Rijke'), geschilderd door Albrecht Dürer (ca. 1518).
---
Fuggerei
De Fuggerei is het oudste sociale woningproject ter wereld dat nog in gebruik is. Het is een ommuurde wijk in Augsburg (Duitsland). De naam is afkomstig van de familie Fugger, toentertijd een van de rijkste families ter wereld. Het wijkje werd in 1516 gesticht door Jakob Fugger de Jongere (bekend als "Jakob Fugger de Rijke") als een plaats waar behoeftige burgers van Augsburg konden worden gehuisvest.
---

De welvaart van de stad was niet meer zozeer afhankelijk van landbouw en grondbezit, maar van geld en industriŽle productie. Wie voor dat geld kon zorgen, had de macht. Wie macht had, kon makkelijker geld verdienen en kreeg nog meer macht.

Renaissance in Duitsland

Het nieuwe denken dat zich in ItaliŽ het eerst ontwikkelde, viel ook elders in europa in de smaak. Vooral in het zuiden van Duitsland, dat economisch nauw met Noord-ItaliŽ was verbonden. Ook hier sponsorden zeer vermogende families de kunst en cultuur, zoals bijvoorbeeld de familie Fugger in Augsburg. In drie generaties verzamelde deze familie het grootste privť-vermogen van Europa. Hun bank leende aan pausen, koningen en keizers. De Fuggers vormden trusts en kartels om zo de mijnbouwproductie van Duitsland, Bohemen, Hongarije en Spanje onder controle te krijgen. Met het goud en het zilver dat zij uit de grond lieten halen, breidden zij hun handelsimperium uit over heel Europa, van Lissabon tot Krakau en van Rome tot Londen, en over alle bedrijfstakken, van textiel tot wapens. Ze financierden hele vloten en organiseerden zelfs hun eigen postdienst. Zo'n machtig en inhalig handelsimperium als dat van de Fuggers had de wereld nog niet eerder gezien. Hun enige doel was winst. Ze deinsden er niet voor terug voedselschaarste te veroorzaken door voedsel op te kopen, om zo de prijzen op te drijven. Maar dit meedogenloze kapitalisme van roof en begeerte ging samen met een oprecht religieus gevoel. Jacob Fugger stichtte in 1516 de Fuggerei, ter "ere van God en als dank voor het commerciŽle succes van de familie Fugger". De Fuggerei is een woonwijk met rijtjeshuizen voor de verarmde burgers van Augsburg. De bewoners betaalden - en betalen nog steeds - ťťn Rijnlandse gulden per jaar aan huur. Dat was toen het weekloon van een arbeider en nu 88 eurocent. In ruil daarvoor moesten zij - en moeten zij nog steeds - dagelijks een Onzevader, een Credo en een Maria Weesgegroetje bidden voor het heil van de familie Fugger.
De goede daden van de familie Fugger veranderden weinig aan het beeld van woekeraars en oplichters dat het volk van hen had, maar dat kon hen weinig schelen. Keizers, pausen en koningen behandelden hen als gelijken. Toen Jakob Fugger de Rijke in 1525 stierf, liet hij een vermogen na van twee miljoen florijnen. Drie maal het jaarinkomen van heel Engeland in die tijd.
De Fuggers introduceerden de renaissance in Duitsland. De Fuggerhuizen aan de wijnmarkt in Augsburg lieten zij in renaissancestijl verbouwen en door Albrecht DŁrer lieten zij een grafkapel ontwerpen in renaissancevormen. DŁrer maakte ook portretten van de familieleden, waaronder dit van Jakob Fugger in 1518.

6.1.3 De teloorgang van de rooms-katholieke kerk

Dat de kerk van Rome de renaissance nog overleefde mag een wonder heten. De vermenging van persoonlijke-, familie-, staatkundige- en kerkelijke belangen was zo groot, dat het respect voor het pausdom flink was afgenomen. De gunstige economische situatie maakte het mogelijk dat men buiten de directe zorg om het bestaan ook andere interesses kon ontwikkelen. Aan de hoven in de stadstaten werden allerlei wetenschappers en kunstenaars aan het werk gezet. De bekendste groep was de Neo Platoonse Academie die Cosimo en zijn zoon Lorenzo (Il Magnifico) de Medici bijeenbrachten. Een van de eerste effecten was waardering voor andere dan christelijke levensbeschouwingen. Die twijfel aan het ware christelijke geloof werd door het gedrag van de paus en de curie in Rome sterk bevorderd. De Kerk in Rome verloor aan geloofwaardigheid door verwereldlijking, pervers- en onethisch gedrag. Het Vaticaan had veel geld nodig voor veel dure bouwprojecten zoals de nieuwe St.-Pieterskerk. Paus Leo X verkocht kardinaalstitels om aan geld te komen. Paus Alexander VI (de Borgiapaus) zorgde uitsluitend voor eigen familie en genot en vormde het absolute dieptepunt van normbesef bij een kerkvader.

6.1.4 Het humanisme

De eerste humanist: Petrarca

Petrarca
Petrarca.
---
Erasmus
Erasmus van Rotterdam.
---

Francesco Petrarca (1304-1374) was als student aan de universiteit van Bologna zeer geboeid door de klassieke literatuur. Virgilius, Cicero en Seneca waren voor hem verpletterende ontdekkingen. Met behulp van hun teksten perfectioneerde hij zijn Latijn. En omdat hij wist dat er veel meer moest zijn, ging hij op zoek naar oude en zeldzame handschriften. Hij werd een boekenwurm, een erudiet verzamelaar, een archiefonderzoeker en een deskundige op het gebied van de klassieke literatuur.


Petrarca zag zichzelf als erfgenaam van de klassieke oudheid en restaurateur van de Latijnse taal. Hij was echter veel meer dan dat. Hij was een nieuw soort mens, een renaissancemens. In tegenstelling tot de middeleeuwse mens was hij geestelijk vrij. Natuurlijk twijfelde hij er niet aan dat het Christendom een geschenk voor de mensheid was, maar hij keek er heel anders tegenaan dan toen gebruikelijk was. Voor hem was de wereld niet de 'Droom van God', maar een concreet iets; en het leven was geen kwellende straf maar een opwindend avontuur om met volle teugen van te genieten. Door zijn studie van antieke teksten kwam Petrarca tot de overtuiging dat de cultuur uit de oudheid superieur was aan die uit zijn eigen tijd - behalve dan misschien op het gebied van het geloof en de openbaring daarvan - en van die klassieke cultuur wilde hij alles weten.


Hij was de grondlegger van de humanistische studies die - naast de diepgaande studie van Grieks en Latijn - grammatica, retorica, geschiedenis, filosofie en dichtkunst omvatten. De humanisten waren ervan overtuigd dat alleen in het Latijn zuiver genoeg kon worden geredeneerd om morele oordelen te kunnen vellen en daardoor verantwoordelijk te kunnen handelen. Ze werden beschouwd - en beschouwden zichzelf - als de nieuwe culturele elite die aan de basis moest staan van opvoeding en vorming. Daarom probeerden vorsten de beste humanisten aan zich te binden en behandelden ze hen met grote eerbied.

Erasmus

Een van de bekendste humanisten was Erasmus van Rotterdam (1469-1536). Hij schreef in 1509 het boek "Lof der Zotheid". In dat boek brengt de Zotheid, die samen met haar vijf dochters over de wereld heerst, allerlei menselijke dwaasheden ter sprake. Erasmus uitte op die manier kritiek op kerkelijke autoriteiten, kooplieden, vorsten en wetenschappers. In de hoofdstukken "Holle hoofden onder de monnikskap", "De inhalige bisschoppen", "Ware opvolgers der apostelen" en "Christus' waardige plaatsbekleder?" bekritiseert hij de, monniken, bisschoppen, kardinalen en paus die volgens hem geen van allen leefden zoals God het zou wensen. Erasmus bleef zijn hele leven een katholiek, maar was wel een wegbereider voor de reformatie.

Neo-platonisme

Tempio di Santa Maria della Consolazione
De ideale renaissancekerk: Santa Maria della Consolazione (Todi, UmbriŽ) .
---

Het centrum van het humanisme in Florence werd de Neo-Platoonse Academie van de Medici's. Men zocht daar naar een verbinding tussen het Christendom en de filosofie van Plato. De humanisten beschouwden Christus als leraar en legden de nadruk op de zedelijke ontwikkeling van de mens.

Neo-platoonse ideeën in de bouwkunst

De kunstenaars van de renaissance waren ervan overtuigd dat in Gods schepping de wetmatigheden verborgen lagen die konden leiden naar de perfecte harmonie. Dikwijls gingen zij daarbij uit van de proporties van het menselijk lichaam. God had de mens immers naar Zijn beeld geschapen, dus waar anders zou je beter kunnen gaan zoeken naar de ideale proporties? En net als in het menselijk lichaam moesten in het gebouw de verhoudingen tussen de architectonische onderdelen zo worden uitgebalanceerd dat niets meer kon worden gewijzigd zonder de harmonie van het geheel te verstoren.

De Romeinse schrijver Vitruvius had al aangetoond dat de mens precies in een cirkel en een vierkant past en de renaissancekunstenaars leidden daar uit af dat met deze geometrische figuren en hun afgeleide ruimtevormen als kubus, bol en cilinder de universele orde en harmonie het best konden worden weerspiegeld. In kerkgebouwen probeerden architecten met deze vormen het perfecte evenwicht te vinden zodat de kerk, als microkosmos, model kon staan voor de macrokosmos en daarmee voor het wezen van God.

Terwijl de architecten zich probeerden te ontworstelen aan de middeleeuwse tradities en de technieken en vormentaal van de oudheid overnamen, bleef hun levensbeschouwing dus religieus. Ze waren het met Pythagoras eens dat alles getal is en waren er in navolging van Plato en de neoplatonisten van overtuigd dat aan de hele schepping een wiskundige structuur ten grondslag ligt, maar hun mathematische benadering van harmonie en proporties blijkt bij nader inzien toch nog doorspekt met middeleeuws spiritualisme.

Palazzo renaissance
De protestantse en katholieke preek, verenigd op een houtsnede van Georg Pencz.
---
Hervormers
Kerkhervormers en critici van de Rooms-Katholieke kerk afgebeeld door Lucas Cranach de Jongere. Links vooraan staat Maarten Luther. De vier mannen rechts op de afbeelding zijn achtereenvolgens: Erasmus van rotterdam; Zwingli, de Zwitserse kerkhervormer; Calvijn en Melanchton.
---

6.1.5 De reformatie

Paus Leo X (opvolger van Julius II, zoon van Lorenzo de Medici) was een groot liefhebber van kunst en literatuur. In tegenstelling tot zijn voorganger, die hem een goed gevulde schatkist had nagelaten, kon Leo X niet met geld omgaan. Hij smeet met geld om Rome weer de glans te geven van het centrum van de wereld. Tijdens zijn pontificaat van 8 jaar gaf hij 4,5 miljoen ducaten uit (een half miljard in euro's van nu). In 1517 kwam de bodem van de schatkist in zicht. Leo X nam toen zijn toevlucht tot een beproefde methode om de financiŽn weer op orde te krijgen, namelijk door de gelovigen geld te vragen in ruil voor vergeving van hun zonden, een zogenaamde aflaat. In ruil voor een gedeelte van de opbrengst stonden veel buitenlandse vorsten deze aflaathandel toe. Maar er was ook verzet


Maarten Luther, een monnik, spijkerde op 31 oktober 1517 op de deur van de universiteitskapel van Wittenberg 95 stellingen tegen de aflaathandel. In 1521 moest Luther zijn stellingen verdedigen voor de Rijksdag van keurvorsten te Worms. Hij hield voet bij stuk en werd door de keizer in de ban gedaan.


Luther wilde het christelijke geloof terugbrengen naar zijn evangelische wortels en door zijn vastberadenheid en strijdlust slaagde hij daar uiteindelijk in. Iedere gelovige werd verantwoordelijk voor zijn eigen heil en kon zich niet langer verschuilen achter een priester of biechtvader. Hij gaf ook de aanzet tot de scheiding tussen kerk en staat door het geestelijke en het wereldlijke los van elkaar te zien. Dat was de belangrijkste reden dat veel Duitse vorsten het protestantisme omarmden; zij waren de eeuwige strijd met de paus over de opperheerschappij en de bemoeienis van de kerk van Rome met hķn onderdanen allang zat.

6.1.6 De wetenschappen

Zwitserse Garde
De uitbeelding van ruimte werd wetenschappelijk onderbouwd door de (her)ontdekking van de wiskunde. De wijze van centrale projectie wordt op deze prent duidelijk gemaakt.
Afbeelding: wikimedia commons.

---

Alle wetenschappen profiteerden van de brede nieuwsgierigheid in dit tijdperk. De universiteit van Padua kwam met veel nieuwe ideeën omdat ze door de staat Venetië tegen de inquisitie werd beschermd. Zo'n denkbeeld was de bouw van het zonnestelsel volgens Galilei. Hij stelde dat de aarde niet het centrum van het heelal was.
Een opsomming van wetenschappers en wetenschappelijk werk:

Behalve de heelmeester was er de tot chirurgijn ontwikkelde barbier, die operaties verrichtte. Als narcosemiddelen had men sterke drank en bewusteloos slaan. Kwakzalvers trachtten alles met kwikzilver te helen. Geesteszieken kregen niespoeder op te snuiven om door te niesen de hersens te reinigen.
Syfilis (een geslachtsziekte) was het aids van de renaissance. Het had als bijnaam "Spaanse pokken" of "Franse ziekte", men wist niet waar de ziekte vandaan kwam. Ze leidde tot drastische beperking van vrije seksuele omgang die toen in brede kringen geaccepteerd was.

6.1.7 Literatuur

Boeken werden steeds meer in de eigen taal geschreven en niet meer in het Latijn. Men gebruikte vormen die aan de klassieke oudheid waren ontleend, zoals de elegie, de pastorale en het hekeldicht. Namen die in dit verband genoemd kunnen worden:

Commedia dell'Arte
Figuren uit de Commedia dell' arte. 2de helft 16de eeuw. Standaardtypes werden gebruikt, hier: Arlecchino, Pantalone en Il Dottore
Afbeelding: wikimedia commons.

---

Het theatergebouw ontwikkelde zich uit de herberg. De eerste volkstoneelstukken werden opgevoerd op binnenplaatsen van herbergen. Die binnenplaatsen werden overdekt en daaruit volgde het theatergebouw. De eerste theaters in Londen waren: The Globe Theatre en The Swan Theatre. Het toneelbedrijf was een mannenaangelegenheid. Vrouwenrollen werden door mannen gespeeld.
In Italië kwam de Commedia dell' Arte op. Dat was een theatervorm waarin standaardtypes voorkomen. De inhoud van het stuk lag vast in het scenario waarop de spelers improviseerden. Enkele standaardfiguren waren: Dottore (een pedant type) en Arlecchino (harlekijn), Pantalone de koopman. De types van de Commedia dell' Arte zijn blijven voortbestaan in de volkscultuur.

6.1.8 Dans

De hogere kringen trachtten zich te onderscheiden van het gewone volk door andere dansen te beoefenen. De gewone boerendans bestond uit puur natuurlijke uitingen van vreugde en vermaak. De elite ging 'schrijdend dansen' een vorm die oefening vereiste waardoor het beroep van dansmeester ontstond.

6.1.9 Muziek

Geheel in de lijn van de renaissance wijkt de traditionele kerkmuziek voor nieuwe vormen. De thema's zijn werelds, en gaan over de liefde en zijn lichtzinnig van aard. Een bekende componist was Claudio Monteverdi (ca. 1600). Palestrina was een belangrijke componist van kerkelijke muziek. Hij streefde naar verstaanbare tekst en was als het ware 'religieus expressief'. De begeleiding bestond uit orgel, luit en gitaar. De partituren voor die instrumenten waren transcripties van zangpartijen. Het aantal bruikbare muziekinstrumenten groeide gestaag; trom, pauk, lier, luit en tamboerijn. De eerste voorloper van de piano was het virginaal dat technisch leek op het klavecimbel.

6.1.10 De sponsoring van de renaissance: de economie

Palazzo Medici Riccardi
Palazzo Medici Riccardi, Kapel van de Drie Koningen, oostelijke wand (detail).
We zien een optocht die wordt aangevoerd door Lorenzo il Magnifico. Zijn vader Piero en opa Cosimo il Vecchio volgen hem (hier buiten beeld). Achter hen tal van beroemde Florentijnen.
Door zichzelf als bijbelse figuren te laten schilderen probeerden zij het aanzien van de familie te vergroten
Afbeelding: wikimedia commons.

---
VenetiŽ
VenetiŽ.
---

Florence was net als VenetiŽ, Siena, Augsburg en tal van andere bloeiende steden uit die tijd het resultaat van de commerciŽle revolutie die zich in de middeleeuwen had voltrokken. Het vroege kapitalisme en de stedelijke burgerij kwamen gelijktijdig tot ontwikkeling.


In de burgerlijke, wereldlijke cultuur van de steden kreeg de kunst er een hoop nieuwe functies bij. De rol van het geloof was nog altijd erg groot en nog steeds was een groot deel van de kunstproductie religieus van aard. Maar de opdrachtgevers waren nu ook de burgers en bestuurders van de stad. We zagen al dat de Florentijnse gilden heiligenbeelden lieten maken en dat is een voorbeeld van de enorme hoeveelheid opdrachten die door burgers, magistraten of machthebbers werden verstrekt.
De machthebbers zagen in dat kunst een krachtig propagandamiddel kon zijn en investeerden daar flink in om zo zichzelf en hun voorvaderen te verheerlijken en hun macht te legitimeren. De rijke burgers droegen bij aan de bouw en inrichting van kapellen, kerken en kathedralen - niet in de laatste plaats omdat ze hoopten zo de hel te ontlopen.


De ontdekkingsreizen van Columbus, Vasco da Gama, Magelhaes en anderen brachten exotische producten mee waarop forse winsten werden gemaakt. Handelsvaartsteden werden Lissabon, Amsterdam, Antwerpen en Londen. Spanje claimde het alleenrecht op de zeewegen waardoor zeeoorlogen uitbraken en bovendien andere routes gezocht werden naar El Dorado (het goudland Indië). De Nederlanders verzorgden het transport tussen de Oostzee en de Middellandse Zee. Portugal werd door Spanje ingenomen om de belangrijke oceaanhaven te bemachtigen.
Intussen werd Zuid Amerika gekolonialiseerd en werden Indianen als dwangarbeiders gebruikt op plantages. Portugezen en Nederlanders transporteerden 50.000 slaven uit Afrika naar Zuid Amerika om de te zwakke indianen te vervangen.
Men kreeg de beschikking over nieuwe importproducten: kalkoen uit Mexico, maïs en "quacahocatl" (cacao of chocola) uit midden Amerika. In Frankrijk ging men zijde maken om import uit Italië te verhinderen. Leiden werd textielcentrum en besteedde een deel van de wolproductie uit aan Tilburg. Veel boeren zetten akkerbouw om in schapenteelt vanwege de gunstige wolprijs. Dat leidde tot werkeloosheid en trek naar de stad. Nederland begon kaas te exporteren en er kwam veehandel. Specerijen werden door heel Europa verhandeld en geruild tegen zilver uit Kutna Hora in Bohemen. Zout, dat iedereen nodig had, werd transportabel gemaakt door er grote kegels van de persen.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


6.2 Dagelijks leven

6.2.1 Gewenst gedrag

Palazzo Schifanoia
De hoveling. Detail van een wandschildering in Palazzo Schifanoia. Gemaakt door Francesco del Cozza.
Afbeelding: wikimedia commons.

---
Boerenbruiloft
De boerenbruiloft, 1565, geschilderd door Pieter Breughel (de jongere). Bij feesten zat men aan lange tafels in de schuur. Men at een soort pannenkoek en dronk bier. Het muziekinstrument is een doedelzak die toen op het vasteland ook in gebruik was.
Afbeelding: wikimedia commons.

---
Palazzo Farnese
Rome, Palazzo Farnese (1534-1548).
Rijke families woonden in de stad in een 'palazzo'. Buiten de stad in een 'villa'. Palazzi hebben alle dezelfde grondvorm: vierkant gebouw met drie verdiepingen rond een binnenplaats. De gevel van dit palazzo is voltooid door Michelangelo.

---

De ideale gedragsvorm werd beschreven door Erasmus in zijn boek De Civilitate Morum Puerilium. Het boek was een groot succes en werd gelezen door mensen die zich als hoveling wilden gedragen maar dat niet waren. De omgangsvormen ontwikkelen van grof tot iets minder grof: praten met iemand die urineerde mocht niet meer, winden laten was geen enkel bezwaar. De tafelmanieren veranderden wel snel, de prikvork werd gebruikt, en men at van stenen borden. Al die manieren dienden vooral om zich te onderscheiden van het eenvoudige volk.
Castiglione schreef een handboek voor hovelingen, Il Cortegiano (de Hoveling), waarmee hij het vrij lege bestaan van de elite vulde met culturele bezigheden. De auteur Aretino gaf als eerst een roddelblaadje uit over de hogere stand.
Huisraad bestond uit commodes en buffetten, gestoffeerde stoelen en voorraadkisten z.g. cassoni. De slaapplaats werd het hemelbed. De muren werden behangen met kleden die door kunstenaars werden ontworpen en in Vlaanderen werden geweven. Door de import uit vreemde landen kwam in alle landen het verschijnsel van het verzamelen voor. Men kocht allerlei exotische voorwerpen, mineralen, schelpen, kunst, en vulde daarmee rariteitenkabinetten of in Italië studioli, en in Duitsland Wunderkammern. De Habsburger Rudolf I bezat in Praag een enorme collectie. De gewone man bezat dat allemaal niet en was eigenlijk armer dan in de periode van de gotiek.
De persoonlijke hygiëne werd er niet beter op. Het wassen was in onbruik geraakt. Lichaamsgeur werd verdreven door parfums op de kleding te doen. Schoon zijn betekende niet gewassen zijn maar een keurig wit linnen hemd dragen. Het gezamenlijk baden werd verboden omdat dat als bron van ziekten was erkend.

6.2.2 Het huishouden

De steden in Italië werden volgebouwd met blokvormige stadspaleizen: de palazzo's. In zo'n gebouw van drie verdiepingen met een binnenplaats woonde een hele familie met bedienden. De familie zelf bewoonde de eerste etage, op de tweede etage alle andere inwonenden. Op de begane grond waren stallen en voorraden en de keuken.
De families in de stad lagen overhoop met elkaar maar ook binnen zo'n palazzo was de sociale controle drukkend. Intriges en ruzies waren aan de orde van de dag.
Opvoeding betekende leren dansen, schermen, muziek maken, jagen, oefening in welsprekendheid, bekendheid met klassieke teksten. Dat betrof alleen de jongens, de meisjes werden jong uitgehuwelijkt en werden in het huwelijk wel wijzer. In welvarende kringen hield men zich bezig met plezierige dingen, "carpe diem", pluk de dag was het devies. Genieten (van wat eigenlijk verboden was) was wel zondig, maar meer ook niet!
De christelijke moraal sleet ernstig door de navolging van de filosofie van de Griek Epicures (300 v.C.) die stelde dat geluk slechts bereikbaar was door een harmonische verhouding tussen genot, zelfbeheersing, deugd en ondeugd. Dat die harmonie niet gemakkelijk bereikt werd moge blijken uit de talrijke beschrijvingen van zedeloos gedrag, vooral in de hogere kringen.

6.2.3 Vrije tijd

Ambrogio de Predis
Profielportret door Ambrogio de Predis. Goed te zien is de haardracht en de versieringen die daarbij te pas kwamen.
Afbeelding: Wikimedia commons

---

Die had men genoeg. De machthebbers paaiden het proletariaat met processies, carnavalsoptochten en volksfeesten. Dan werd er niet gewerkt. Er was geen plicht tot zondagsheiliging dus men besteedde zijn tijd aan slagbal, kaatsen (jeu de paume), boogschieten, schermen, jeu de boules. In de herberg kon men gaan gokken, dobbelen of kaartspelen.

De eenvoudige mensen dansten, maakten muziek en werden vermaakt door goochelaars, acrobaten, vuurspuwers en allerlei andere rondtrekkende artiesten; maar ook door theatergroepjes die wagenspelen opvoerden. Die hadden dikwijls een religieus onderwerp, zoals de mysteriespelen of sacre rappresentazioni - maar het konden in de renaissance ook kluchten zijn, die met religie niets meer te maken hadden.

6.2.4 De kleding

Jongens en meisjes droegen tot hun 7de jaar dezelfde kleding. Daarna was de kleding gelijk aan die van een volwassene. De algemene tendens was: druk en versierd.
De mannen droegen hozen, dat waren lange kousen met een druk dessin. In het noorden kwam daar een korte pofbroek bij. Voor het geslachtsdeel droeg men een braquette een gepolsterde schaamlap. Verder een kort jack, een wambuis met losse mouwen die er aan geknoopt konden worden. De overjas was de korte paltrock of de lange tabbaard, beide hadden wijde armsgaten. De mode was om splitten te maken in mouwen en broek zodat de voeringstof, in een afwijkende kleur, erdoor zichtbaar was (het pak van Zwarte Piet). Het hoofddeksel was de baret.
Een vrouw droeg een hemd met ruches onder een overkleed met pofmouwen en een wijde hals waar het hemd uitkwam. Op het overkleed een lijfje met baleinen of een korset er onder. Rokken waren lang en stonden wijd door vilten kussentjes die op de heupen gedragen werden.

Het haar werd vormgegeven met hars en eiwit en gebleekt. Met linten en gouddraad werd het haar opgestoken en versierd. Mannen droegen baarden en snorren in allerlei uitvoeringen.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


6.3 Uit de kunst

Lippi in Spoleto

6.3.1 Algemene karakteristiek

Leonardo da Vinci
Leonardo da Vinci, portret van een vrouw ('La Belle FerronniŤre', omstreeks 1495-1499).
---

De positie van de beeldend kunstenaar veranderde in de renaissance drastisch. Hij werd zeer gewaardeerd om zijn werk en ook veel beter betaald dan gewone arbeiders, in een veelvoud zelfs. De kunstenaars waren zich ook van hun positie bewust, ze signeerden hun werk en namen deel aan ontwerpwedstrijden voor grote opdrachten. Door de ontdekkingen van antieke beelden en de al aanwezige belangstelling voor de oudheid veranderde de onderwerpskeuze van religieus naar antiquiserend en werelds. Tussen 1400 en 1450 was nog 90% van de onderwerpen religieus, na 1500 nog 61%, na 1600 nog 37%, (na 1800 nog maar 5%).

Men vond in 1480 de Apollo van Belvedère, in 1506 de Laocoön terug bij opgravingen en in 1578 werden de vroeg- christelijke catacomben weer ontdekt.
Naast de door de oudheid geïnspireerde onderwerpen kwam ook een nieuw genre op: het portret. Eerst werd de kop en profil (van opzij) later ook en trois quarts (schuin van voren) geschilderd.
Voor het tekenen van hele personen bestudeerde men de anatomie. Het afbeelden van het naakt mocht weer en werd dan ook volop toegepast in bijvoorbeeld de David van Michelangelo. De pose waarin naaktfiguren werden afgebeeld was het contrapposto. Dus het normale staan op een steun- en een speelbeen.

6.3.2 Boekillustraties en prenten

Drukkerij
Drukkerij uit de 16de eeuw. Achtereenvolgens werden:
1) de handgeschreven teksten omgezet in een drukvorm van losse letters op een raamwerk.
2) de drukvormen ingeÔnkt.
3) op papier een afdruk gemaakt in een drukpers.
4) drukproeven gecontroleerd en eventueel gecorrigeerd.
5) de vellen na het drukken te drogen gehangen.
6) de gedroogde losse vellen samengevoegd tot een boek.
Afbeelding: Wikimedia commons

---
Man van Vitruvius
Canon van Leonardo da Vinci.
In dit schema tracht Leonardo de samenhang te laten zien tussen geometrische vormen en de proporties van het menselijk lichaam. Er is ook een tekening bekend van een mensfiguur in de plattegrond van een kerk. De verhoudingen van het menselijk lichaam werden universeel geacht en overal in geprojecteerd; God had immers de mens naar Zijn beeld geschapen.
Afbeelding: Wikimedia commons

---

De drukkers waren de helden van de culturele revolutie die de renaissance was. Het drukken van boeken met losse letters was nu bekend. Maar snobs als Cosimo en Lorenzo de Medici kochten alleen handgeschreven boeken, want die waren uniek. De Duitstalige bijbel werd in een oplage van 3000 stuks verspreid. Typisch voor deze tijd waarin het lezen van boeken begon was dat de behoefte aan brillen ontstond. Het ambacht van lenzenslijper (de Amsterdamse filosoof Spinoza b.v.) ontstond.
Teksten uit de klassieke oudheid werden gedrukt nadat ze door vluchtelingen uit Constantinopel waren meegebracht toen die stad in 1453 door de Turken werd bezet. Manutius maakte er boeken van in octavoformaat; je zou kunnen spreken van de eerste pocketboeken.

De houtsnede

Voor illustraties moest men een beroep doen op kunstenaars die pentekeningen maakten. Die tekeningen werden door plaatsnijders op een houten plank gelijmd. Al het hout tussen de getekende lijnen werd weggestoken met fijne beiteltjes en messen. Wat bleef staan was een hoogdrukcliché dat op een pers kon worden afgedrukt. De plaatsnijder volgde zeer nauwkeurig de lijnen van de tekenaar en bij een fijne kruisarcering was dat buitengewoon moeilijk vakwerk. De illustraties werden in de tekst opgenomen en meegedrukt of op aparte pagina's gezet.

De kopergravure

Een andere methode kwam uit de kring van de wapensmeden. Om illustraties te maken stak men in een metaalplaat met een burijn (een klein beiteltje) lijntjes. Die lijntjes werden gevuld met inkt door eerst de hele plaat metaal in te smeren en vervolgens het oppervlak weer schoon te poetsen. De inkt in de gestoken groefjes werd met een rollenpers, onder grote druk, op papier overgezet. Een viltlaag zorgde voor het inpersen van het papier in de groefjes. Deze manier van drukken noemt men diepdruk omdat de inkt in de groefjes van de plaat zit. Bij hoogdruk ligt de inkt op het oppervlak.
Bekende kopergraveurs waren: Albrecht Dürer in Duitsland, Hendrik Goltzius en Lucas van Leyden in Nederland.

6.3.3 Leonardo da Vinci

Leonardo da Vinci bestudeerde uitvoerig lijken van gehangenen die hij, voor ze begraven werden, eerst analyseerde. De belangstelling ging ook uit naar de verbeelding van de ruimte. Het perspectieftekenen werd wiskundig onderbouwd en gretig toegepast.
Per stad en landstreek waren er duidelijke verschillen in de schilderkunst. In het noorden probeerde men de mensfiguren in het landschap op te nemen, in het zuiden was het landschap meer een decor.

De Florentijnse kunst was typisch tekenachtig, dus de lijn en de vorm waren erg belangrijk, in Rome en vooral in Venetië was de kunst typisch schilderachtig, men kon zien dat er met kwasten gewerkt werd. Al met al werd de vorm belangrijker dan de inhoud. Dat was ook de bijl aan de wortel van de religieuze kunst, omdat daarvan de voorstelling per definitie belangrijk was.

6.3.4 Michelangelo Buonarroti, Pietà.

Zwitserse Garde
De Pietà van Michelangelo Buanarroti.
Het merendeel van de opdrachten aan kunstenaars betrof religieuze onderwerpen alhoewel klassieke onderwerpen ook in de belangstelling kwamen. Pietà is een veel uitgebeeld thema van Maria met haar gestorven zoon Jezus.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Michelangelo, Rafaël en Leonardo da Vinci waren de drie belangrijkste kunstenaars van de hoog-renaissance. Dat was de tijd tussen 1500-1550. Michelangelo leefde van 1475-1564, hij werd, voor die tijd, dus erg oud. Michelangelo werd bekend door een Cupidobeeldje van zijn hand, dat in Rome terecht kwam. Paus Julius II doorzag al gauw het grote talent van Michelangelo en liet hem zijn grafmonument maken. Michelangelo werkte erg onregelmatig en dat deed de paus met de betaling ook. Het ging Michelangelo in de kunst maar om twee aspecten:

Zijn streven om mensfiguren "uit steen te bevrijden" was voorwaar geen geringe opgave. Michelangelo achtte veel van zijn beelden eigenlijk mislukt en maakte ze niet af.
In 1498 gaf kardinaal Jean de Viliiers de la Groslaye gezant van Frankrijk bij de paus, opdracht tot het maken van een pietà. Dat beeld was bestemd voor de oude St.-Pieter. Het onderwerp pietà kwam meer voor en stelde het begrip smart voor: de smartelijke relatie tussen Maria met haar gestorven zoon Jezus Christus. Voor de prijs van 450 dukaten werd het beeld inderdaad gemaakt en geplaatst in de Franse kapel van de oude St.-Pieter en later verplaatst naar de nieuwe St.-Pieter. De toen 24-jarige Michelangelo schiep een voortreffelijke weergave van de dode Christus bij Maria. Vergeleken met gotische pietà's, die zeer expressief waren, is dit beeld zeer ingehouden van uitdrukking. De vraag waarom Maria zo jong is uitgebeeld t.o.v. Jezus Christus, die bij zijn dood zo'n 33 jaar was, speelde voor Michelangelo niet. Hij gaf uiting aan een gevoel en rationele argumenten interesseerden hem nooit erg. Deze pietà is het enige beeld dat Michelangelo gesigneerd heeft.

Michelangelo was behalve beeldhouwer ook schilder en architect. De huiskapel van het vaticaans paleis, de Sixtijnse kapel, beschilderde hij met fresco's. Op het plafond bracht hij scènes uit het scheppingsverhaal aan en op de wand boven het altaar het laatste oordeel.
Als architect was zijn belangrijkste prestatie het herontwerpen van de nieuwe Sint-Pieter met de enorme koepel.

Raffaello Sanzio, De school van Athene

School van Athene

Rafaël leefde van 1483 tot 1520. Hij kwam uit Urbino. Hij werkte tegelijk met Michelangelo in het Vaticaan voor dezelfde opdrachtgever, de paus. In tegenstelling tot Michelangelo was Rafaël een innemende charmante figuur. Zijn werk straalde dat ook uit. Harmonie en verfijning zijn de belangrijkste kenmerken van zijn werk. Hij trachtte zijn opdrachtgevers tevreden te stellen en paste ontwerpen aan als dat gewenst was.

De school van Athene is een fresco in de Stanza della Segnatura. Die zaal heet zo omdat er het hoogste gerechtshof van de Heilige Stoel was gevestigd, de 'Segnatura Gratiae et Iustitiae'. Waarschijnlijk was het oorspronkelijk het studeervertrek en de bibliotheek van Julius II. Bijzonder was dat in deze werkkamer van de paus een puur antieke afbeelding is aangebracht tegenover een ander fresco: de Triomf van het Heilig Sacrament.

School van Athene

In de School van Athene werd een 'heidens' onderwerp verbeeld tegenover een verbeelding van de essentie van het christendom. Dàt was typerend voor de mentaliteit tijdens de renaissance. Men zag die combinatie van onderwerpen als een verzoening tussen klassieke oudheid en christendom. De schilderingen zijn halfrond van vorm omdat grote ruimten met een stenen gewelf afgedekt werden. Midden in het fresco staan Plato, omhoogwijzend, en Aristoteles, met boek, precies op het centrale verdwijnpunt. De beide figuren staan op ooghoogte en ook voor een lichte achtergrond, ze vallen dus sterk op. De ruimte is ingevuld met een fantasiearchitectuur die lijkt op Romeinse gebouwen als de basilica van Maxentius. Het doet ook denken aan de nieuwe St.-Pieter die op dat moment nog gebouwd werd. Alle andere figuren stellen historische personen voor. De Griek Euclides waarvoor de architect Bramante model stond. Herakleitos is Michelangelo midden in het tafereel. Deze figuur werd later toegevoegd (in 1511, het fresco was in 1508 vrijwel af). Dat is nog te zien aan de scheve stand van de kubus waar Michelangelo op steunt. Ook zijn er zijn Alexander de Grote, Averroës, Zarathoestra en Ptolemeus.

Het schilderen van een fresco, hoe gaat dat?

Eerst maakt de kunstenaar een ontwerpschets die door de opdrachtgever wordt beoordeeld. Na eventuele wijzigingen wordt er een karton gemaakt (een werktekening op ware grootte) van aan elkaar geplakte stukken papier. De muur wordt ruw gemaakt met een beitel en goed nat gemaakt. De eerste laag kalk en zand is de trusilar. Daarop komt de ariccio, die bevat al meer kalk en minder zand. Op de ariccio kan met sinopia, een rode verfstof, een ruwe schets worden gemaakt. Veranderingen aanbrengen in de compositie is dan nog mogelijk. Dan wordt de muur gestuct met een laag kalk en zand in de verhouding 1:1. Dat is de intonaco of schilderlaag. Die wordt glad gepolijst. Het deel van de tekening dat geschilderd wordt is voorzien van kleine gaatjes op de hoofdlijnen van de voorstelling. De tekening wordt tegen de natte kalklaag gehouden en met een zakje houtskoolpoeder beklopt. De hoofdlijnen zijn op de witte kalk als zwarte stipjes te zien. Het schilderen moet gebeuren zolang de kalk nog nat is; nog dezelfde dag dus. Men gebruikt zuivere pigmenten en kalkwater. De kleur trekt in de kalk en bindt daarmee chemisch af.
Deze manier van decoreren is eeuwenlang, vooral in Zuid Europa, toegepast. Ze is goedkoop maar moeilijk. Heel beroemd zijn de fresco's van Michelangelo in de Sixtijnse kapel maar ook veel kerken uit de barok (zie hoofdstuk 7) zijn beschilderd met fantastische illusionaire fresco's.

6.3.5 Hans Holbein, De ambassadeurs

Holbein Ambassadeurs
De ambassadeurs geschilderd door de Duitse schilder Hans Holbein. Let op de kleding en de wetenschappelijke instrumenten op de tafel.
Afbeelding: Wikimedia commons.

---

Hans Holbein was een Duitse schilder uit Augsburg. Hij leefde van 1497 tot 1543. Hij verhuisde naar Basel in 1520. Maar hij reisde naar Engeland en daar maakte hij in 1533 een dubbelportret van twee mannen: ambassadeurs. Ze waren: Jean de Dinteville, 29 jaar en Georges de Selve, 25 jaar, bisschop van Lavaur. Dinteville moest daar zijn voor een diplomatieke missie bij koning Hendrik VIII. Het portret was een nieuw genre in de renaissance maar een dubbelportret was ook iets nieuws en 'ten voeten uit' afbeelden al helemaal. Holbein heeft met buitengewone precisie alles exact weergegeven. Zowel de aanduidingen op de geologische en astronomische instrumenten boven op de tafel, als de stofuitdrukking op de kleding en damasten achterwand. Onder op de tafel liggen een luit, in het verkort, en een opengeslagen gezangenboek met teksten van Luther als een soort memento mori (=gedenk te sterven). Het hele schilderij ademt een voorname statige rust. De compositie is zo gekozen dat de mannen en de tafelbladen samen een rechthoek in het rechthoekige kader vormen. De tegelvloer is een kopie van die in Westminster Abbey. Helemaal bizar is de anamorfose onder op de vloer. Een anamorfose is een opzettelijke sterke perspectivische vertekening. De rare vlek op de vloer is bij nader inzien een schedel: dat zie je pas als je dichtbij het schilderij van linksonder schuin omhoog kijkt. Wellicht is dat niet alleen een verwijzing naar de dood, een vanitas motief dus, maar "Holbein" betekende vroeger ook: schedel. Het is dus waarschijnlijk ook een handtekening.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


6.4 Stijlkenmerken renaissance (samenvatting)

Algemene kenmerken

Palazzo Farnesina

Aan het einde van de middeleeuwen worden de steden in ItaliŽ gedomineerd door een beperkt aantal rijke families die de beste denkers en kunstenaars van hun tijd royaal ondersteunen om met hun werk de roem van hun families te vergroten. Kunstenaars krijgen een hoger inkomen, een hogere status, meer vrijheid en meer zelfvertrouwen. Ze ontwikkelen een kunst die zich minder laat leiden door traditie en kerkelijk gezag en meer uitgaat van de individuele mens en zijn vermogens. Niet het leven na de dood, maar de aardse werkelijkheid komt op de eerste plaats. Kunstenaars gaan vertrouwen op hun eigen waarneming en zoeken hun kennis en inzicht niet meer alleen in de bijbel en geschriften van kerkvaders en kerkleraren maar vooral ook in eigen waarneming van de natuur en studie van de literatuur uit de oudheid. De oudheid herleeft (humanisme).

Onder invloed van Neo-Platoonse ideeŽn zoeken beeldende kunstenaars en architecten naar evenwicht, harmonie en de ideale proporties waarvan men meent dat ze in de natuur (schepping) terug te vinden zijn. Wiskundige reeksen en verhoudingen spelen een belangrijke rol.

Hoewel Vasari het in de 16e eeuw al over 'wedergeboorte' heeft, duikt de term renaissance als aanduiding voor een cultuurperiode pas in de 19e eeuw op.


Renaissance schilderkunst

Inhoud

Ghirlandaio
Domenico Ghirlandaio, Visitatie (1491).
---
Ghirlandaio
Domenico Ghirlandaio, Maria met het kind Jezus, de jonge Johannes de Doper en drie engelen; omstreeks 1490.
---

Vorm

Functie

Zeer uiteenlopend. Veel kunst heeft nog steeds een religieuze functie. Nieuw is de kunst die wordt gebruikt om de reputatie en roem van de opdrachtgever te vergroten.

Kunst wordt langzamerhand ook een verzamelobject.


Renaissance beeldhouwkunst

Inhoud

Michelangelo
Michelangelo Buonarroti, Madonna met kind (Brugse Madonna), omstreeks 1501-1504.
---

Onderwerpen: heiligen en bijbelse figuren, ruiterstandbeelden, portretbustes, mythologische figuren en -taferelen. Veel graven met allegorische figuren.

Renaissancekunstenaars zijn op zoek naar schoonheid en gratie. De kunst uit de oudheid is hun voorbeeld. Ze bestuderen de natuur en proberen die te overtreffen. Studie van klassieke houdingen, proporties en anatomie. De beste kunstenaars stellen zich ten doel door te dringen tot het wezen van de natuur, van de mensen; en van die mensen proberen ze behalve het uiterlijk ook het karakter, de ziel te laten zien.


Vorm

Van toegepaste naar zelfstandige kunstvorm. Beelden komen los van achtergrond of ondergrond en worden volledig ruimtelijk.

Evenals in de schilderkunst natuurgetrouw weergegeven proporties, anatomie en houdingen.

Marmer en brons zijn de meest gebruikte materialen. De techniek van het bronsgieten wordt herontdekt en bereikt een grote hoogte.


ManiŽrisme is de laatste fase van de renaissance. Het kan in twee betekenissen worden gebruikt:


Functie

Het grootste deel van de productie van beeldhouwers is bestemd voor kerken en kapellen maar particuliere opdrachtgevers worden steeds belangrijker. ReliŽfkunst van hoog niveau (deuren, doopvonten).

Ook veel beeldhouwwerk in de openbare ruimte (fonteinen, (ruiter-)standbeelden))


6.4 Renaissance bouwkunst

Inhoud

In de bouwkunst zien we nog meer dan in de andere kunsten de zoektocht naar orde, samenhang, evenwicht en harmonische proporties. De wiskunde (reeksen, maat- en getalsverhoudingen) wordt gezien als het systeem dat aan alle orde ten grondslag ligt en daarom als Goddelijk. Centraalbouw geldt als meest volmaakte harmonische bouwvorm.

Verder zoekt men naar harmonie met de natuur en het landschap. De omgeving wordt bij het bouwwerk betrokken (stadsplanning en tuinarchitectuur).


Vorm

Om de Goddelijke harmonie te bereiken, wordt geteld en gemeten. De cirkel en het vierkant worden beschouwd als de meest wezenlijke van alle vormen en daarom veel gebruikt, ook in afgeleide vormen als kubus, bol en cilinder. Symmetrie is een esthetische noodzaak.

San Biaggio
Montepulciano (ItaliŽ), San Biagio.
---

Deze mathematische visie wordt gecombineerd met de vormentaal uit de oudheid omdat die (onder invloed van het humanisme) wordt beschouwd als edel en zuiver en omdat die, met zijn organische vormen, bijdraagt aan de harmonie met de natuur.

Aanvankelijk sober. Massieve gebouwen met een nadruk op horizontalen en de muur als dragend element. Verhoudingen (lengte, breedte en hoogte) volgens klassieke verhoudingssystemen (Vitruvius). Later meer versieringen, ontleend aan de klassieke vormentaal, maar aangebracht binnen de gestelde normen van regelmaat en symmetrie.


Functie

Veel kerken en kapellen maar ook paleizen (it: palazzi), woningen, stadhuizen, weeshuizen, gildehuizen enz.

Een aparte categorie vormen de villa's met tuinen, buitenverblijven ter ontspanning, waarin de architectuur wordt voortgezet in een geordende, getemde natuur en zo gezocht wordt naar de perfecte harmonie tussen natuur en cultuur.


© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel. Lees de gebruiksvoorwaarden.




Valid HTML 4.01 Transitional