14. Welvaart en verzet
1960-1990

Paestum

14.1 Tijdsbeeld

14.1.1 Welvaart.

Maatschappelijk en culturele factoren ca. 1960:

Nederland
  • wederopbouw;
  • verzuiling;
  • kleinburgerlijke mentaliteit (fatsoen, traditie, moraal, religie);
  • koude oorlog;
  • economische groei (welvaart);
  • industrialisatie;
  • suburbanisatie;
  • mobiliteit;
  • individualisering;
  • pro-Amerikanisme;
Verenigde Staten
  • American dream
  • consumptiemaatschappij
  • Koude Oorlog (anticommunisme)

De wederopbouw na de verwoestingen van de tweede wereldoorlog was nog in volle gang. Het bonkaartensysteem voor de voedseldistributie was geheel opgeheven maar de woningnood was nog groot. De volksmentaliteit was onverminderd optimistisch. De economie en de salarissen groeiden.

14.1.2 Verzet

Na de oorlog werd de maatschappij weer ingericht als kopie van die van vóór de tweede wereldoorlog. Toch gingen waarden en normen veranderen. Men werd tolerant over gebruiken in seks en huwelijk. De maatschappij was sterk geïndividualiseerd. Het gevoel van solidariteit en burgerlijke medeverantwoordelijkheid voor de samenleving maakte plaats voor een algemene verzetshouding tegen calvinistische waarden.

Hoe uitte dat verzet zich?

Massacultuur, wat is dat?

Een goede definitie bestaat er eigenlijk niet maar er zijn heel wat lijstjes in omloop met kenmerken van de massacultuur. De onderstaande kenmerken zien we het vaakst terug:
  • maakt gebruik van (veelal elektronische) massamedia;
  • maakt gebruik van massaproductie: herhaalbaar en reproduceerbaar;
  • populair en massaal: wordt door veel mensen beleefd ('gedeeld');
  • vlucht uit de werkelijkheid (escapisme), gericht op amusement en ontspanning;
  • creëert een schijnwereld of hyperrealiteit (social media, games, films, sterrendom);
  • commercieel;
  • tijdelijk, vluchtig en vervangbaar ('wegwerpmaatschappij');
  • hedonistisch: genieten en consumeren staan voorop;
  • toegankelijk en eenvoudig te begrijpen: herkenbaar;
  • appelleert aan herkenbare en algemene gevoelens: liefde - angst - seks - geweld;
  • heftige 'beleving' (sensatie);
  • speels (niet serieus);
  • passieve consumptie;
  • opvallend;
  • aantrekkelijk en verleidelijk;

De cultuur werd sterk gepopulariseerd door de media. De TV werd het belangrijkste informatiemiddel dat door alle (verzuilde) maatschappelijke groeperingen en de politiek werd gebruikt. Het woord was niet langer aan de dominee maar aan de journalist. Waar tot dan toe waarheid werd toegekend aan dat wat 'zwart op wit' gedrukt stond, gold dat in het vervolg voor het TV- beeld.

De individualisering had nog een ander aspect: de generatiekloof tussen ouders en kinderen die, achteraf bezien, meer uit verbaal geweld bestond dan een werkelijk verschil in normen en waarden. Uit de samenwerking van TV, Radio en jeugd ontstond de pop cultuur. Muziek en de beleving van muziek bood voor veel jongeren een vorm van identificatie en verheerlijking van idolen.
In Nederland begon in 1970 met het Holland Popfestival in het Kralingse bos te Rotterdam een traditie van popconcerten in de open lucht..

14.1.3 Politieke en internationale ontwikkelingen.

Na de oorlog werd de North Atlantic Treaty Organisation, NATO (wij zeggen NAVO) opgericht om het communistische Oostblok te kunnen weerstaan. Die scheiding van grootmachten en totaal gebrek aan communicatie tussen beide leidden tot de koude oorlog. De invloedssferen, oost en west, bewapenden zich met kernraketten. In Berlijn werd het vluchten van Oostduitser naar het vrije westen belemmerd door de Berlijnse muur die op 12/13 mei 1961 werd opgericht. De muur zou 28 jaar blijven staan en symbool worden voor het ongelijk van totalitaire staatsmacht. Tussen oost en west hebben zich talrijke gevaarlijke incidenten voorgedaan die de wereldbevolking deden inzien dat alleen een dialoog de spanning en bewapeningsspiraal kon doorbreken.

Enkele feiten op een rij:

Nederland kreeg te maken met de eigen geschiedenis. Nieuw-Guinea werd door Indonesië opgeëist en na wat politieke rookgordijnen door de minister van buitenlandse zaken Luns feitelijk overgedragen. Zuid-Molukkers voerden enkele bezettingen en gijzelingen uit als laatste stuiptrekking van het in die groep levende verlangen naar een eigen staat in Indonesië.

Groeperingen in allerlei gebieden grepen naar terreur om doelen te bereiken; Palestijnen, Noord-Ieren, Basken en, op kleinere schaal, de RAF (Rote Armee Fraktion) in West Duitsland en de Rode Brigades in Italië heiligden alle middelen om onrealistische idealen te verwezenlijken.

14.1.4 De kerken, steeds leger!

De verdeling van de Nederlandse bevolking naar geloof was nog steeds stabiel in de statistieken. De meeste kinderen van gelovige ouders werden nog gedoopt maar de kerken werden stilaan leger. Het optimistische vooruitgangsgeloof van na de oorlog maakte onduidelijk onderscheid tussen welvaart en geestelijk welzijn. De welvaart kwam in de vorm van meer salaris, vrije tijd en een groeiende stroom genotmiddelen waaronder amusement, TV en er op uit met de auto. Rooms-katholieke godsdienstvieringen kon men naar believen op zaterdagavond meemaken om zondags naar het strand of het sportveld te gaan. De rooms-katholieken in Nederland dachten, voor de hele wereld de waarheid in pacht te hebben en het gelijk aan eigen zijde te hebben (dat denken Nederlanders wel meer). Men liet de kerk van Rome voor wat ze was. De 8-Mei beweging organiseerde alle ontevreden krachten binnen de geloofsgemeenschap. Deze beweging paste niet in het hiërarchisch denken van de kerk en de Nederlandse bisschoppen bleven er, argwanend, buiten staan.

14.1.5 Economische vooruitgang:

de basis onder de welvaartsstaat

Minister president Drees ('vadertje Drees') legde de eerste steen voor het stelsel van sociale zekerheid. Er werden ingevoerd:

Deze wetten werden aangevuld met een netwerk van regelingen voor allerlei groepen.
De sociale zekerheid had een prijs die uit de groei van de economie en dus uit de stijgende welvaart moest worden betaald. De overheidsuitgaven waren voortdurend te hoog door de grote collectieve lasten.
De economie had zo z'n eigen karakteristieken veranderingen: er was inflatie, dus geldontwaarding, waardoor voortdurend de lonen aangepast werden. In 1964 liet de overheid de lonen vrij waarna de vakbeweging loonsverhoging en prijscompensatie voor de inflatie ging eisen. Door de loonsverhogingen ging de arbeidende klasse haar bestedingspatroon aanpassen. Er ontstond door de inflatie een prijsspiraal. In 1973 kwamen er twee duidelijke signalen dat het blinde vertrouwen op de economische groei toch kwetsbaar was. De oliecrisis en het rapport van de Club van Rome. De oliecrisis maakte pijnlijk duidelijk dat een olieboycot en stijgende olieprijs de hele bedrijvigheid en mobiliteit tot stilstand kon brengen. De Club van Rome bestond uit 'deskundigen' die voorspelden dat de economische groei het milieu en de 'derde wereld' zo zwaar belastte dat niet ingrijpen in elk opzicht onverantwoord was. De Europese landen waren inmiddels georganiseerd in de E.E.G., Europese Economische Gemeenschap. Die landen (oorspronkelijk 9) waren elkaars beste klanten geworden.
In Nederland werden de problemen in hoge mate gemaskeerd door de vondst en export van aardgas uit Slogteren, nadat in 1965 de kolenmijnen in Limburg waren gesloten.

14.1.6 Consumentisme

De economische bloei had een paar neveneffecten. Het bedrijfsleven verschafte geld als de overheid dat niet had. Sportevenementen en culturele activiteiten werden gesponsord door bedrijven. Autorace- en wielersportteams, voetbalclubs konden alleen bestaan in een subsidie of eigendomsverhouding met een geldschieter. Later zou de 'commercie' ook in de omroep een plaats innemen door reclame op TV uit te zenden. Tentoonstellingen werden nog slechts mogelijk gemaakt met forse financiële steun van bedrijven. In de maatschappij ontstond door deze bemoeienis een tweede macht die mede de cultuur in stand hield maar ook beïnvloedde.
Het besteden van inkomsten leidde tot een nieuwe vorm van gedrag: het 'winkelen'. Een vorm van binding aan de commercie die door gerichte reclamecampagnes en allerlei vormen van klantenbinding in stand werd gehouden. Nederland werd een land van 'reclamedrukwerk', 'spaarzegels', 'vaste klantenkortingen', 'koopavonden', 'thuisbezorgen', 'prijzenfestivals', 'uitverkopen,' 'postorderverkoop'. De industrie had niet langer als hoofdtaak in goederen te voorzien die nog nodig waren maar om de aanwezige goederen te vervangen door iets nieuws om als bedrijf het eigen voortbestaan te verzekeren. Enkele sectoren werden niettemin afgebouwd door de concurrentie van lage lonen landen. Zo verdween de textielindustrie uit Twente en de scheepsbouw uit het Waterweggebied.
De Provobeweging was het eerste, maar onbegrepen, signaal dat de consumptiemaatschappij fundamenteel verkeerd uitwerkte door grondstoffen op te stoken aan onzinnige producten.
De Club van Rome had al aangegeven dat de ongeremde economische groei het milieu te zwaar belastte. De gevolgen werden pas later zichtbaar toen bleek dat de vooruitgang mede mogelijk was gemaakt door het dumpen van afval en gifstoffen overal waar het zo uitkwam. Die rekening zou later worden betaald. Rokende schoorstenen waren vooralsnog een teken van welvaart. Uit de milieubewustheid ontstonden nieuwe bedrijven die het 'schoonmaken' als taak hadden. De milieubeweging onder aanvoering van Greenpeace speelde in de bewustwording van de massa een rol.

14.1.7 Wetenschap en technologie

Veel uitvindingen met een militair doel uit de tweede wereldoorlog werden benut voor civiele toepassingen. De kerntechnologie had de atoomwapens opgeleverd maar vervolgens ook kerncentrales. Door kernenergie kon men met een onderzeeër onder het poolijs doorvaren en goedkoop elektriciteit opwekken maar met het restproduct wist men geen raad. Kernafval werd op allerlei soms bizarre manieren opgeruimd; in zee gestort bijvoorbeeld.
In april 1986 vernietigde de kerncentrale van Tsjernobyl zichzelf. Het roer moest om, maar welke technologie leverde - schadevrij - energie?
De luchtmachten van het West- en Oostblok zochten mogelijkheden in de ruimte. De straalmotor werd raketmotor en de ruimte werd verkend. Uiteindelijk zette de Amerikaan Neill Armstrong als eerste mens voet op de maan. Dat was het eindpunt van een spectaculaire technische ontwikkeling, die wereldwijd direct op TV te volgen was.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


14.2 Dagelijks leven

Jeugdcultuur
  • verlenging onderwijsduur;
  • vrijheidsstreven;
  • verzet tegen burgerlijke moraal;
  • verzet tegen materialisme;
maar ook: nieuwe consumenten:
  • zakgeld en baantjes;
  • eigen vervoer: bromfietsen;
  • eigen muziek: platenspeler;
  • eigen medium: piratenzender;
  • eigen voeding: snackbar.

14.2.1 Opvoeding en onderwijs

Kinderen woonden tot in de tachtiger jaren thuis. Door de grotere zelfstandigheid en individualisering van het persoonlijk leven woonden steeds meer jongeren zelfstandig. De woningbouw verschafte aangepaste behuizing in de vorm van kleine flats en z.g. Van Dam-eenheden. De huurprijzen stegen sterker dan de lonen maar door een overheidssubsidie op de huren bleef zelfstandig wonen mogelijk. De greep van de ouders op normen en waarden in de overdracht op de jeugd verslapte. Door veranderde inzichten ten aanzien van leven, moraal en burgerschap, en overrompeld door alle veranderingen, ontbrak het aan een leidraad die voorheen vanuit de religie of levensovertuiging en de kerken geboden werd. Men sloot zich aan bij de zich in de media aftekenende modetrends.

Onder het motto "moet kunnen", werd de jeugd tolerant en liberaal begeleid naar volwassenheid. In de praktijk werden veel jongeren anti-autoritair of helemaal niet opgevoed. Economische zelfstandigheid en geestelijke volwassenheid liepen niet gelijk op.
Nozems, randgroepjongeren, drugs- gok- en alcohol-verslaafden werden doelgroepen voor zorg die door overheden geboden werd.
Seksualiteit werd een bespreekbaar onderwerp. Veranderingen in gedrag en opvattingen daarover werden mogelijk en bevorderd door de anticonceptiepil (1962) en de vrije verkrijgbaarheid van condooms. De zogenaamde 'seksuele revolutie' die goeddeels in en door de media werd gepredikt en gewenst werd, werd afgesloten met de maatschappelijke discussie over vrije abortus. Toen het laatste taboe - dat op homoseksualiteit rustte - wegviel, waren daar AIDS en het H.I.V.-virus.
Het voortgezet onderwijs werd gereorganiseerd door de Mammoetwet waardoor doorstromen van het ene naar het andere schooltype mogelijk werd en zittenblijven niet meer nodig was. De brede golf van protest tegen gebrek aan medezeggenschap ging aan het onderwijs niet voorbij. De reactie op deze golf van protest, waardoor veel begaafd personeel gedemotiveerd uit het onderwijs stapte, leidde inderdaad tot medezeggenschap van personeel, ouders en leerlingen in de school. Het onderwijs gebruikte in toenemende mate nieuwe leermiddelen, naast de diaprojector werd de schoolradio, video, en de computer gebruikt. De beroepskeuze die aan het kiezen van een leerweg vastzat kon worden uitgesteld door de invoering van de middenschool waarin elke leerling hetzelfde programma zou volgen. Deze vrucht van positief socialistisch denken over de mens droogde echter snel uit. Met name Christendemocraten en liberale volksvertegenwoordigers zagen meer in de ontplooiingskansen voor ieder individu.
Wie geen dagonderwijs volgde kon deelnemen aan afstandsonderwijs via de L.O.I. (Leidse Onderwijs Instellingen) het P.B.N.A., het Nederlands Taleninstituut e.a.

14.2.2 Vrije tijd

De vrije tijd werd besteed aan dansles, sport, de padvinderij, allerlei andere hobby's, en cultuurdeelname - bijvoorbeeld via Teleac. Het beoefenen van muziek nam sterk toe door regionale muziekscholen, de grote populariteit van de elektrische gitaar en de op de jongeren gerichte pop- programma's op radio en TV.
Vakantie werd door bijna iedereen gevierd. Door het bezit van een auto kon dat ook in het buitenland en op de camping. Door de kennismaking met andere eetgewoonten in het buitenland en door de komst van gastarbeiders in de West-Europese landen werden de pizza en chinees ontdekt. Ook in dit opzicht werd de jeugd een aparte doelgroep voor de fastfood-bedrijven van Mc Donalds en anderen.
Vieringen die in de cultuur traditioneel plaats vonden werden ontdekt door de commercie en in het consumentengedrag opgenomen: sinterklaas, kerstmis, carnaval, Valentijnsdag, moederdag, vaderdag werden in toenemende mate met cadeautjes omlijst.
Hoe gemakkelijk de bevolking opgewonden kon raken zag men aan de rages als de hula-hoep, en Erno Rubics Kubus. Van de laatste werden er 150 miljoen verkocht, wereldwijd.

14.2.3 Mode

De mode veranderde van een door modekoningen voorgeschreven modebeeld naar géén mode. De ontwikkelingen volgden elkaar zo snel op dat slechts rok en broeklengte het decennium of jaar van ontstaan kenmerkten. De grote massa droeg een eigen geaccepteerd kledingstuk: de jeans of spijkerbroek. De in de V.S. bedachte blauw katoenen (werk)broek werd tot algemeen kledingstuk voor alle leeftijdsgroepen in vrijwel alle omstandigheden. Over het algemeen kan men zeggen dat de damesmode mannelijk werd. Zijritsen werden voorsluitingen en de broek verdrong de petticoat en de katoenen jurk in BB ruitje (BB van de Franse filmster Brigitte Bardot).

14.2.4 De informatiemaatschappij

In de tweede helft van deze eeuw kwam alle kennis en al het nieuws onder handbereik. De wereld werd een groot dorp. Elke burgeroorlog kwam live op TV. Het medium TV is wellicht het snelst ontwikkelde en meest oppervlakkige informatiemiddel geworden.
De directe voorloper van de TV informatie was het Polygoon- journaal in de bioscopen dat wekelijks werd vernieuwd. De gelijkheid van informatie aan iedereen werd erg sterk en daardoor ook gevaarlijk als de informatie 'gekleurd' werd. Aan het dagbladenbestand van NRC, De Tijd, De Volkskrant en De Telegraaf werd niet veel nieuws toegevoegd. De dagbladpers moest concurreren met de TV om de reclame-inkomsten. Vereiste het lezen van dagbladen nog enige interesse, dat was voor de TV al snel niet meer nodig. Amusement en oppervlakkige informatie vulden de zendtijd. Het scala aan omroepverenigingen bestond uit AVRO, KRO, NCRV, VPRO, VARA. Daar kwamen later nog de Tros, Veronica en de EO bij. In de strijd om de gunst van de kijker werden programma's met enige diepgang niet altijd gewenst. Het negatieve begrip 'vertrossing' werd een blijvend begrip. Voor grote groepen van de bevolking werd de TV een samenbindende factor. Men keek collectief naar sportwedstrijden, Ard Schenk en Kees Verkerk, het Nederlands elftal, Feyenoord en Ajax in Europese competities. Bepaalde personen en programma's werden publiekslievelingen: uitzendtijden bepaalden de agenda. Willem Duys en Mies Bouwman (24-uurs uitzending Aktie Open het dorp 1970) bepaalden lange tijd het conserverende familiekarakter van de omroep. Wim T. Schippers en het duo Kees van Kooten en Wim de Bie waren maatschappijkritisch en ironisch.
Een nieuwe fenomeen werden TV-series als Peyton Place (514 afleveringen), Coronation Street en All in the family. Deze series boden een blik op het schijnbaar gewone leven. Men kon zich in het geschilderde milieu herkennen.
Door de afscherming van de omroepen in de mediawetgeving ontstonden er zowel radio- als TV-piraten die commercieel werden opgezet. De commercie werd zo sterk en het geldgebrek zo hoog dat ook de publieke omroepen reclames gingen uitzenden waardoor ze nog meer op de commerciële omroep gingen lijken. Er was teveel zendtijd en te weinig talent om die te vullen. De verwende kijker ging videofilms bekijken.

14.2.5 De bioscoop, wie ging daar nog heen?

Videoclips
  • beelden van de artiest (bijna altijd) centraal: promoten van de artiest(en) en het construeren van hun imago (performancevideo, of performance-scène);
  • vaak snelle montage (korte shots);
  • montage meestal 'rond de beat': montagelassen meestal op de maat gebeuren maar niet steeds op dezelfde tel;
  • tempo en ritme bepaald door muziek;
  • eenheid in tijd plaats en handeling niet noodzakelijk - eenheid gemaakt door muziek;
  • verbeelding van het verhaal met muziek, dans en beeld;
  • terugkerende dansscènes van een groep;
  • georganiseerd op basis van 'hooks': shots die zijn ontworpen om de kijker te verleiden nogmaals te kijken: close-ups van de artiest; erotiek; connecties tussen beeld en geluid: muzikale thema's worden begeleid door een visueel leidmotief.

De concurrentie van de TV ging in de negentiger jaren over haar hoogtepunt heen. Filmmakers zorgden uiteindelijk ook voor de betere films op TV. Bioscoopfilms werden voor de vertoning eerst gekeurd door een rijksdienst: de filmkeuring. Men achtte de mondigheid van het publiek op een gegeven moment zo groot dat slechts pornografische films met X gemerkt moesten worden. Sex-shops, sexblaadjes en -clubs waren immers ook allang, na een gedoogperiode, buiten discussie geraakt.
Fellini, Godard, Spielberg, waren exponenten van de generatie die de klassieke regisseurs als Cecil B. de Mille opvolgden. Enkele hoogtepunten uit de filmindustrie vormden:

Enorme publiekstrekkers waren de spektakelfilms als:

en de verfilming van de musical:

Een aparte categorie vormden de teken- en animatiefilms . Die ontwikkeling begon bij Walt Disney en liep via Marten Toonders Heer Bommel en Tom Poes naar de animaties van Steven Spielberg met Jurassic Park. Veel teken- en animatiefilms waren bewerkingen van getekende strips. De geavanceerde elektronica maakte knappe animaties mogelijk. Pionier was Jim Hanson met de Muppets en de wezens in Labyrint van David Bowie.

14.2.6 Muziek, een manier van leven

Hiphop: cultuur van de straat

Rap
  • Bronx, New York - armoede en machteloosheid;
  • vanaf 1974: Kool DJ Herc draait van oude funk-platen alleen nog maar de ritmische tussenstukken (breaks) om mensen aan het dansen te krijgen;
  • Mc's (Masters of ceremony) en later rappers zeggen rijmpjes op op het ritme van de muziek (de beat), meestal met een moraliserende boodschap;
  • soms een rapcrew of posse;
  • later gebruik sampler;
  • eind jaren '80 verharding: westcoast gangstarap.
Breakdance
  • vanaf 1983: blockparties, buurtfuiven met gettoblasters;
  • straat als plek van ontmoeting en confrontatie/ competitie (muziek, dans en graffiti);
  • dans: breakdance, electric boogie, moonwalking;
  • zingevend en emanciperend.

In de muziek was een scheiding tussen de serieuze of klassieke muziek en de popmuziek bestemd voor de jeugd. De nieuwe klassieke muziek werd nauwelijks uitgevoerd en dan voor een klein publiek. De lichte en popmuziek nam de media als het ware in bezit. Voor popprogramma's kwamen er 'popzenders' als Hilversum 3 op de radio en MTV op de TV. Het hele gebied deelde zich op in soorten met eigen liefhebbers, fans, die van hun voorkeur op demonstratieve wijze een absolute liefde maakten. Het luisteren naar muziek werd een gedragsvorm door de walkman waardoor men, eigenlijk altijd, muziek kon beluisteren. Dit leidde tot een vorm van geïsoleerd gedrag. Baanbrekende groepen die overigens grote populariteit genoten waren The Beatles geleid door John Lennon en Paul Mc Cartney en de The Rolling Stones van Mick Jagger. Hoe sterk muziek en life-style samenhingen werd zichtbaar op Woodstock, een drie daags openlucht popconcert in de VS in 1969. Tienduizenden jongeren beleden en beleefden , kamperend, collectief hun liefde voor bepaalde muziek op een manier die neo-romantisch genoemd kan worden.
Het scala aan soorten is na de twist en de Rock-'n-roll alleen maar groter geworden met punk, funk, raggae, house, soorten die zich soms in subtiele nuances van elkaar onderscheiden.
Op de grote theaterpodia werden musicals opgevoerd van Annie M.G.Schmidt, Leonard Bernsteins West Side Story en van Andrew Lloyd Webber Cats en The Phantom of the Opera.

14.2.7 Literatuur, toneel, dans

Door het volgen van voortgezet onderwijs en de promotie van literatuur door de media, groeide de belangstelling voor het lezen. Dit toch in weerwil van een ander product; het stripverhaal dat door de aantrekkelijke vormgeving, de lage prijs een grote populariteit verwierf. De verhalen van Hergés Kuifje, Willy van der Steens Suske en Wiske en Asterix en Obelix van Coscinny en Uderzo.

De literatuur werd in dit tijdperk gedomineerd door de auteurs Harry Mulisch, Jan Wolkers, en Gerard Karel van het Reve.

De toneelwereld kreeg op, geheel eigen wijze, te maken de algemene protesthouding van het publiek in de actie tomaat. Die actie begon op 9 oktober 1969 met het gooien van tomaten door het publiek tijdens een voorstelling van Shakespeare's de Storm. Men ageerde door die handeling tegen de burgerlijke mentaliteit en kapitalistische bedrijfscultuur in de toneelwereld. Men eiste ook van het toneel maatschappelijk engagement.

De dans als kunstvorm wist zich te bevrijden van het clichébeeld 'zwanenmeer' gedanst door in tutuutjes gestoken danseressen. Een nieuwe generatie choreografen kwam met moderne opvattingen die niet de traditionele techniek en beweging gebruikten maar een breder scala een expressiemogelijkheden. Pina Bausch van het Wuppertaler Tanztheater en Maria de Keerssemaker en Rudi van Dantzig zijn vermeldenswaard.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


14.3Uit de kunst

14.3.1 Nieuwe wegen

De beeldende kunsten kregen de beschikking over nieuwe materialen en gereedschappen zoals de kunststoffen, polyesters, polyvinylen en aluminiumbeton als gietmateriaal voor beeldhouwwerk; de airbrush en acrylverven voor de schilders en ontwerpers. Met de inhoud en een nieuwe taakstelling lag dat anders. De stijl in de beeldende kunst verliep van het modernisme naar het post-modernisme. Die overgang was allerminst duidelijk. De opeenvolging van -ismen verliep zo snel dat veel kunstenaars in hun carrière allerlei stromingen meemaakten. In feite gebeurde alles tegelijk. Op grote overzichtstentoonstellingen als de vijfjaarlijkse Documenta te Kassel was zichtbaar dat veel kunstwerken niet verder kwamen dan de idee-fase. Afwerken, duidelijkheid, dienstbaarheid aan het publiek, vormgevingsprincipes werden allemaal betrekkelijke beginselen. Onkunde werd tot kunst verklaard, kunst werd kitsch, en kitsch kunst. Dit proces kon zich voltrekken door het ontbreken van een visie op de taak van de kunst in de samenleving. Kunstvormen waren niet langer gescheiden; theatervormen, performances, happenings en plastische vormgeving kwamen geïntegreerd voor.
Sir Ernst Gombrich, een kunstfilosoof, gaf zijn visie op de kunst in the story of art (1950) en werkte die verder uit in Art and illusion (1959). Hij beschreef de toestand van de kunst als volgt:

"Door vervormen tot norm te verheffen is zicht op werkelijkheid verloren gegaan. Wat wij expressief noemen, zoals de middeleeuwse kunst en kindertekeningen is niet expressief. De traditie is het referentiekader. Nu er geen traditie meer is ziet men een zucht naar originaliteit. Kunst is de belichaming van waarden uit opvoeding en de cultuur. Kunstwerken verruimen de manier van zien."

Kunst ging niet meer over de inhoud of de vormgeving ervan maar over zichzelf. Erg veel kunstwerken imiteerden of citeerden al bestaande kunstwerken. Kunstenaars presenteerden voornamelijk zichzelf en veel van hen koesterden veelal povere filosofietjes die in ontoegankelijke vormentaal werden geëxposeerd. Het museum- en subsidiebeleid maakte dat ook mogelijk.

14.3.2 Pop art

Pop art.
In de Verenigde Staten
  • massacultuur als uitgangspunt;
  • depersonalisatie, afkeer van sentimentaliteit en gevoeligheid;
  • vervreemding door vergroting, herhaling enz.;
  • ironie, fijne spot waarin het tegengestelde wordt uitgedrukt van wat men bedoelt;
  • ontkennen van artistieke aspecten en tradities;
In Groot Brittanië:
  • benadrukken seks en erotiek;
  • maatschappijkritisch;
  • minder agressief en hard.

De veranderingen in het dagelijks leven, het gedrag van mensen, het straatbeeld werden door de kunst opgepikt en tot onderwerp gemaakt. De pop-art deed dat door onderwerpen uit de banale, alledaagse omgeving te kiezen. Alleen al door die keuze maar ook door het formaat of het materiaal te veranderen krijgen de pop kunstwerken nieuwe betekenis. De pop art was voornamelijk een Engels Amerikaanse stroming. De belangrijkste kunstenaars uit de zeventiger jaren waren Andy Warhol, Claes Oldenburg, Roy Liechtenstein, George Segal, James Rosenquist en Robert Rauschenberg.

Edward Kienholz was een van de pop-art schilders. Hij begon in 1961 ruimtelijke objecten te maken. Die objecten waren verzamelingen van voorwerpen die een omgeving suggereerden; zogenaamde environments. In zijn environments gaf Kienholz blijk van zijn afschuw van de materialistische en oppervlakkige Amerikaanse samenleving. In het hier afgebeelde environment State hospital (1966) is een vastgebonden patiënt te zien op een bed. Het hoofd is vervangen door een kom met een levende goudvis er in. Met de grote neonbuis suggereerde Kienholz een tekstballon (als in strips) waarin de patiënt als het ware zichzelf, zijn eigen situatie, (in-)ziet. De figuur in het bovenste bed is dus een afbeelding van de patient zelf. De traditionele beeldhouwtechnieken en -materialen werden in de pop-art uitgebreid met echte voorwerpen en kunststoffen, licht en geluid.

14.3.3 Het hyperrealisme

Postmodernisme.
  • hernieuwde belangstelling voor de gewone mens en zijn verlangens;
  • geen geloof meer in bepaalde principes, theorieën, ideologie of orde;
  • geen geloof meer in authenticiteit en originaliteit;
  • geen geloof in rationaliteit;
  • geen vooruitgangsgeloof;
  • artistieke anarchie;
  • eclecticisme ('plukken' uit historische stijlen);
  • veelvormig en cross-over (stijlvermenging), multidisciplinair;
  • vermenging van 'hoge' en 'lage' cultuur en van andere tegenstellingen;
  • omarming van commercie en massamedia;
  • waarden-pluralisme en -relativisme;
  • cultuurrelativisme.

In de tachtiger jaren werd de pop-art opgevolgd door het zogenaamde fotorealisme. Alhoewel kleurenfoto's perfecte afbeeldingen geven van de werkelijkheid gebruiken deze schilders en beeldhouwers fotomateriaal slechts als hulpmiddel. Foto's werden geprojecteerd op het schilderdoek of paneel en uiterst nauwkeurig uitgeschilderd. Richard Estes en Ralph Goiings (beiden Amerikanen) waren duidelijke vertegenwoordigers van deze stroming die gewoonlijk fotorealisme, super- of hyperrealisme genoemd wordt.

Ralph Goiings' (1928 -) belangrijkste onderwerp was 'the American way of life'. In het bijzonder het onderweg zijn per auto. De meest onbenullige wegrestaurantjes en de meest nietszeggende momenten van oponthoud om bijvoorbeeld even te eten, fascineren hem het meest. Hij fixeert als het ware, al schilderend, een document over het leven van alledag. Volgens Goiings geeft de presentatie als kunstwerk en de schildertechniek de alledaagse scènes hun meerwaarde.

14.3.4 Het neo-expressionisme van de 'wilde Duitsers'

De kunststromingen in de twintigste eeuw volgden de maatschappelijke ontwikkelingen op afstand en reageerden daarop niet of op geheel eigen wijze. De politieke prent was een genre dat in verschillende dagbladen een vaste plaats had. De 'grote' kunst deed dat niet. De Duitse schilder Immendorf was echter een uitzondering.

Jörg Immendorf,
café Deutschland 1, 1978.

De voorstelling op dit schilderij is het belangrijkste aspect. Vrijwel alle personen en situaties zijn ontleend aan de politieke en maatschappelijke actualiteit in Duitsland. Sommige hoofden zijn portretten van bekende personen. De toestand van het naoorlogse Duitsland (vóór de hereniging) wordt voorgesteld als een kroeg. Links is de rijksadelaar te zien die het hakenkruis in zijn klauwen heeft. In het midden steekt iemand zijn hand door een muur (de Berlijnse muur?). Over de tafel in het midden ligt de Duitse vlag. Allerlei voorwerpen zijn verwijzingen naar actualiteiten. Immendorf en de Wilde Duitsers waren niet geïnteresseerd in perfecte schildertechniek, uitdrukking van textuur of wat dan ook. Op rauwe en schijnbaar onbeholpen wijze, alsof het een reclameposter betrof, wordt de ruimte in het café in elkaar geknutseld.

Een nieuwe tak van kunst: design

Alle producten die de industrie maakt zijn ooit ontworpen. Industriële ontwerpers bedenken, construeren en tekenen elk product dat op de markt wordt gebracht. De meeste voorwerpen in het huishouden vallen nauwelijks op door hun eenvoudige maar handige vormgeving. Toch vallen het colaflesje en het Tupperwareplastic onder de klassiekers van de design. Tegenwoordig wordt er een verschil gemaakt tussen het normale proces van vormgeven en produceren en de design. De design is de toegepaste variant van de minimal art. De esthetische vormgeving is belangrijker dan de gebruiksfunctie en de vorm is tevens de versiering. Gerenommeerde ontwerpers zijn Philip Starck (Fr.) Aldo Rossi (It.).

Bouwkunst

World Trade Center, Rotterdam

Ontworpen door Groosman en partners. Het gebouw is opgenomen in het beursgebouw van de architecten vader en zoon Staal. In de moderne bouwkunst worden glasgevels veel toegepast. Door klimaatbeheersing zijn raamopeningen niet nodig. Het gebouw bestaat uit een centrale betonnen koker waar aan de verdiepingvloeren en de gevels zijn gemonteerd. De rechte lijn en de rechte hoek domineren nu menig stadsbeeld; het beursgebouw is een gunstige uitzondering door de fraaie gebogen vorm.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.




Valid HTML 4.01 Transitional