12. Twee wereldoorlogen
1914 - 1945

Bauhaus

12.1 Tijdsbeeld

12.1.1 De toestand in Europa

De periode van 1914 tot 1945 ziet er heel duidelijk afgebakend uit, maar dat is niet de reden om bij deze periode afzonderlijk stil te staan. In 1914 begon de eerste wereldoorlog en in 1945 was de tweede afgelopen. Oorlogen waren altijd erupties van religieuze, etnische en politieke spanningen. De wereldoorlogen waren meer dan regionale of bilaterale conflicten; het waren, letterlijk, de hele wereld betreffende oorlogen. Dat er zoveel landen bij betrokken waren en werden was het gevolg van de snelle communicatie waardoor men wereldwijd op de hoogte was van conflictstof en partij moest kiezen. Koloniën werden ongewild meegezogen in de economische rampspoed van een oorlog. Er waren drie krachten die de oorzaak vormden tot het uitbreken van de eerste wereldoorlog:

Van de top tien geïndustrialiseerde landen waren er acht Europees plus de Verenigde Staten en Canada.
Het nationalisme dat in allerlei landen de cultuur kenmerkte in de negentiende eeuw, was de bepalende factor waardoor in 1914 de maatschappelijke veranderingen hopeloos vastliepen.
Zo'n wereldoorlog waarin eerst miljoenen mensen moeten omkomen en waarin ongelooflijk veel schade moet ontstaan, is kennelijk nodig om de leiding in Europese landen te louteren en vergiftigde denkbeelden in het volk te vervangen door nieuwe.
Voor de kunst waren de wereldoorlogen ook van betekenis. Door het overlijden van veel toonaangevende personen of hun emigratie naar elders (voorbeeld: de opheffing van het Bauhaus in Duitsland en de heroprichting in de V.S.).
Tussen de wereldoorlogen speelde zich eigenlijk maar één belangrijk proces af: zou de nieuwe maatschappij gevormd worden door middel van revolutie of langs de weg van de parlementaire democratie? Beide wegen werden bewandeld.
In Rusland kwamen, in 1917, de Sovjets aan de macht. Men introduceerde de vijfjarenplannen die landbouw en industrie moesten hervormen. De communistische partij kreeg de leiding in het land. De leider was Josef Stalin die van 1929 tot 1953 met ijzeren hand, meedogenloos bestuurde. Onder zijn leiding en vanuit de visie van Nikolai Lenin (= Vladimir Iljitsj Oeljanov 1870-1924) werden de kunsten onderhorig aan de staat. De kunststroming die daaruit voortkwam werd het constructivisme. Dat was de eerste versie van twintigste-eeuwse staatskunst.

De westerse landen kozen voor de democratische weg maar geraakten in een economische crisis op 24 oktober 1929. Hoge werkeloosheid was het gevolg en die leidde tot loonsverlagingen en daardoor ook weer tot werkeloosheidsverzekeringen. De werkeloosheid voedde het ontstaan van het fascisme. Fascio betekent 'verbond', het is afgeleid van fasces; dat was een bundel roeden die in de Romeinse oudheid gehanteerd werd door de lictoren die de keizer begeleidden. De symboliek van de fasces was dat een bundel sterker is dan het individu. Het opkomende fascisme in Italië en Duitsland wist het maatschappelijke ongenoegen onder de arbeidersbevolking te bundelen tot een krachtige volksbeweging. Deze volksbewegingen ontpopten zich als sturende maar destructieve krachten. Zoals het nationalisme tot de eerste wereldoorlog had geleid zo zou het nationaal socialisme tot de tweede leiden.
Het leidinggevende kader van de industrie steunde het fascisme uit opportunisme. In Italië ontstond de Partita Nazionale Fascista onder Mussolini en in Duitsland de NSDAP, een nationaal socialistische partij onder Adolf Hitler. Beide partijen waren racistisch maar mede door de Duitse volksaard leidde het nationaal socialisme tot concentratiekampen en de uitroeiing van de Joodse minderheid in Duitsland en de bezette gebieden. In Italië, waar men er sinds de oudheid nooit meer in was geslaagd iets groots te organiseren, zag het fascisme er humaner uit. In de rest van Europa werd pas laat ingezien wat zich afspeelde en de tegenbewegingen kwamen te laat op gang. Hitler kwam langs democratische weg aan de macht. De opgerichte Volkerenbond met haar Internationale Gerechtshof te Den Haag kon, evenmin als de (naoorlogse) Verenigde Naties, de zich voltrekkende maatschappelijke processen benvloeden.
West-Europa kopieerde inmiddels de life-style van de Amerikanen in elk opzicht. De cultuur werd gepopulariseerd en geïnternationaliseerd. Toch lagen alle wortels van de vooruitgangtechnologie in Europa.

12.2 Religie.

In 1936 werd de Katholieke Actie opgericht. Dat was een organisatie van leken die onder toezicht van de kerkelijke hiërarchie lekenwerk verrichtte zoals verspreiding en bevestiging van het geloof en het bieden van gespreksplatforms. Het was een van de vormen van de verzuiling die in Nederland om zich heen greep. De katholieke jeugd werd georganiseerd in de KAJ (Katholieke Arbeiders Jeugd). De verzuiling zag men ook in de oprichting van eigen scholen, vakverenigingen, omroepverenigingen e.d. Daarnaast was er toch behoefte aan een vorm van oecumene. De verdeeldheid van de kerken werd als een hinderpaal gezien in het zendings- en missioneringswerk. Uit verschillende bronnen ontstond toen, in 1937, de Wereldraad van Kerken die aan de oecumene vaste vorm heeft gegeven. De Rooms katholieke kerk volgde de oecumenische beweging op enige afstand en met reserve. Pas na 1964, het Tweede Vaticaans Concilie, zocht de kerk, con amore, hereniging met andere kerken.

12.1.3 De economie tussen 1925 en 1939.

De Verenigde Staten konden hun economie sneller ontwikkelen dan Europa door het ontbreken van binnengrenzen. Daardoor was er een grotere markt. Voor de uitbreiding van de industrie was energie nodig die beschikbaar kwam door elektriciteitsnetten in alle steden. De elektromotor maakte vervolgens een groei van kleine bedrijfjes mogelijk. De stoommachine werd als te duur en te bewerkelijk afgedankt.
Na 1914 werd een nieuw product ontwikkeld: het vliegtuig. Daaraan leverde de Nederlandse industrie een bijdrage door Fokker, een vliegtuigfabriek die de Duitse luchtmacht al van vliegtuigen had voorzien voor de eerste wereldoorlog.
De economie in dit tijdperk werd gekenmerkt door de grote crisis van 1929. Die werd veroorzaakt door een wanverhouding tussen eindproducten en grondstoffen en/of halffabricaten en teveel uitstaand krediet. De banken steunden de kartels die gevormd werden door b.v. Thomson, Edison en AEG. Deze steun beperkte weliswaar de financiële risico's maar smoorde de concurrentie. Bovendien waren er tariefmuren die de eigen economie van de landen beschermden tegen het buitenland. Dit leidde tot plotselinge en sterke koersdalingen waardoor een keten van schrikreacties volgde. Grote werkeloosheid was het gevolg die door de lokale overheden werd bestreden door arbeidsintensieve projecten op te zetten, zoals de aanleg van het Kralingse Bos bij Rotterdam.
In 1930 bestreed president Roosevelt de crisis met een pakket maatregelen in zijn New Deal. De Verenigde Staten telden toen 10 miljoen werklozen en het nationale inkomen was gehalveerd.
In Nederland zag men het zogenaamde stempelen: werkelozen moesten zich dagelijks melden om zwartwerken onmogelijk te maken.

12.1.4 Het verkeer

De techniek maakte de ontwikkeling van moderne verkeersmiddelen mogelijk. Naast de ontwikkeling van het vliegtuig was er, korte tijd, het luchtschip met als soortnaam: de Zeppelin, naar de uitvinder Baron Zeppelin. Tussen de twee wereldoorlogen mocht Duitsland geen luchtmacht bezitten waardoor allerlei alternatieven werden bedacht zoals het zweefvliegen, en het luchtschip dus. De toekomst van het luchtschip zou briljant hebben kunnen zijn als de V.S. heliumgas hadden willen verkopen. Het zeer brandbare waterstofgas maakte een einde aan de Hindenburg die als prestigevlucht van Duitsland naar de V.S. vloog maar op de basis Lakehurst in brand vloog.
Luchtvaartpioniers als Charles Lindberg met zijn vliegtuig de Spirit of St. Louis vlogen non stop van de V.S. naar Europa. De Nederlandse Uiver een DC2 won de Londen-Melbourne race. Snelheid werd een begrip. Er werden trofeeën uitgereikt als bijvoorbeeld de blauwe wimpel voor de snelste overtocht per schip van Engeland naar de V.S. Het schip de Queen Mary maakte die tocht in 1936 in 3 dagen en 23 uur. Het luchtschip LZ 127 vloog 49000 km om de aarde in 21 dagen. Deze feiten spraken zeer tot de verbeelding. De grootste doorbraak in het vervoer was de automobiel voor iedereen. Henry Ford bracht in 1927 de A Ford (later de T Ford) op de markt voor 850 dollar per stuk. Die prijs daalde nog tot 260 dollar.

12.1.5 De stad

In de steden stonden twee belangen tegenover elkaar; die van de burgerij en die van de economie. De steden misten de grootschalige infrastructuur om economische bedrijven te laten groeien. De bereikbaarheid werd een probleem door het gebruik van de auto. In 1925 was het eerste stopbord in gebruik als middel om het verkeer te regelen en in 1935 werd in Oklahoma de eerste parkeermeter geplaatst. In Nederland ging iedereen op de fiets naar het werk. Voor die fietsen moest ook belasting worden betaald. Er moest een belastingplaatje aan de fiets worden bevestigd. Deze plaatjes werden een gemakkelijk te stelen object. Werkelozen kregen een fietsplaatje met een gat erin en werden daardoor herkenbaar en als het ware gestigmatiseerd.
De stadsbesturen trokken allerlei nieuwe functies naar zich toe, zoals het organiseren van sportmanifestaties, herdenkingen, het inrichten van musea, het oprichten van bibliotheken en het organiseren van volksconcerten. Bioscopen waren er al volop en het uitgaansleven maakte het straatbeeld druk en dynamisch. Berlijn had zich, naast Parijs, een zekere faam verworven door in een tamelijk liberaal klimaat het uitgaansleven en het revue- en cabaretcircuit alle ruimte te gunnen. De Engelse uitdrukking roaring twenties was vooral op Berlijn van toepassing.
Het uitbreiden van de steden gebeurde plansgewijs. Hele wijken werden als geheel ontworpen en uitgevoerd. De uitbreidingen van Amsterdam en Rotterdam waren daar voorbeelden van.

12.1.6 Wetenschap en techniek

Nieuwe stoffen waren beschikbaar zoals het aluminium en de kunststoffen die iedereen toen nog gemakshalve plastic noemde.
In de gezondheidszorg werd het BCG-vaccin toegediend tegen de tuberkelbacil die TBC veroorzaakte. De zuigelingensterfte daalde toen er kraamklinieken werden gebouwd waar hygiënischer werd gewerkt dan bij thuisbevallingen. De sociale wetenschappen werden uitgebreid met de sociale psychologie die de mens als lid van een gemeenschap bestudeerde.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


12.2 Dagelijks leven

12.2.1 Nieuwigheden

In huis was elektrische aansluiting beschikbaar. Het bezit van een radio werd, na 1937, aangevuld met een pick-up of platenspeler. Die radio was in veel gevallen een Super Inductance Radio (1927) die en masse geproduceerd werd. Men had broodroosters, boilers voor heet water en strijkijzers. Hoover maakte de eerste stofzuigers. Koelkasten werden vooralsnog alleen gebruikt voor vleesvoorraden en waren nog zeer groot. In 1945 had 50% van de Amerikaanse huishoudens een koelkast; in Europa nog maar 5%. Lang niet iedereen kon zich dit soort nieuwigheden permitteren en ging kopen op afbetaling. Het kopen op krediet was nieuw en zou nog tot veel armoede leiden. Armlastigen werden geholpen door de zuilgebonden verenigingen als de St.-Elisabethvereniging en de St.-Vincentiusvereniging. Dat waren organisaties van leken die sociale zorg verleenden.
In 1920 werd de 8-urige werkdag ingevoerd waardoor men meer vrije tijd kreeg. Die vrije tijd werd besteed aan het verenigingsleven. Dat gold ook voor vrouwen want die werkten steeds meer ook buitenshuis. Meestal waren zij typiste met behulp van de Remington schrijfmachine of telex of ponskaarttypiste.
Toneelverenigingen en zangkoren werden opgericht. Ook het reizen en beoefenen van sporten nam toe. Wie thuis bleef las de nieuwe beeldromans die het begin van een beeldcultuur markeerden welke later door de TV veelvoudig versterkt zou worden.
In het uitgaansleven voegden zich nieuwe verschijnselen als de miss- verkiezingen de travestietenshows bij de nog immer florerende stripteasecultuur. De negerin Josephine Baker werd door de media beroemd gemaakt vanwege door haar exotische dans in een bananenrokje. In de grand-cafés en danssalons werd de charleston nog met overgave gedanst, maar door de overheid in 1926 verboden wegens het vermeende obscene karakter van die dans.
Het gezin was de hoeksteen van de samenleving. Maar er waren nieuwe inzichten. De geboorteregeling in de vorm van het al (zeer moeizaam) verkrijgbare condoom en de Onigo Knausmethode. De moraal in deze werd ontleend aan het boek het volkomen huwelijk van Hendrik van de Velde dat van 1926 tot 1960 herdrukt zou worden.

Het voedingspatroon veranderde nauwelijks. Men betrok zijn voedingswaren van de winkel op de hoek van de straat. De aanvullende straatverkoop bestond uit: de groenteman, de mosselman, de melkman. de bakker. Maar ook anderen kwamen langs: de scharensliep, de pindachinees. Na de kerstdagen vertoonde zich de opkoper van hazen- en konijnenvellen. Koffie was duur, men dronk dus cichorei, namaak-koffie. Boter werd verdrongen door een nieuw product van Unilever: margarine van Blue Band. Voedsel diende niet langer alleen tegen de honger maar werd ook status.
Op straat verschenen de stalletjes met hotdogs. De naar de V.S. geëmigreerde Pool Nathan Handwerker verkocht rode Frankforter worstjes met, door zijn vrouw Ida, gemaakte hete (hot) saus. Boze concurrenten beweerden dat hondenvlees in de worst werd verwerkt. Om dat te bestrijden verkocht Nathan zijn worstjes aan ziekenhuispersoneel waardoor het vertrouwen in zijn product niet meer stuk kon. De scheldnaam hotdog is hij blijven voeren.
Met het naderen van de tweede wereldoorlog nam in Duitsland de inflatie sterk toe. De Duitse mark was niet veel meer waard. Een volkswijsje luidde toen:

Eins, zwei, drei, vier, fünf Millionen.
Meine Mutter die kauft Bohnen,
Zehn Milliarden kost' das Pfund.

12.2.2 Onderwijs

Op school schreef men met de kroontjespen en inkt van Gimborn of Talens. De balpen kwam beschikbaar in 1938 maar werd niet op school gebruikt vanwege de hoge prijs en het slechte handschrift dat er het gevolg van was. Elk kind volgde zes klassen lagere school en ging daarna naar de ambachtsschool de huishoudschool of, na de zevende klas, naar de middelbare school. De middelbare school was toen de M.U.L.O.; de Hoogere Burgerschool (H.B.S.); het Gymnasium; de Middelbare Meisjesschool (M.M.S.). Wie ging studeren kwam op de Universiteit, de Technische Hogeschool of de Kweekschool terecht.

12.2.3 Behuizing

Er was in de grote steden een overschot aan huurwoningen. Daardoor verhuisden gezinnen nogal eens. Huurwoningen werden door de huisbaas, op verzoek, schoon en met nieuw behang opgeleverd.

12.2.4 Een manier van informeren: de media

De foto als onweerlegbaar bewijs van werkelijkheid had in de 19de eeuw al z'n intrede gedaan en werd aangevuld met de bewegende zwart-witfoto: de film. Net als in de fotografie ontstonden er verschillende toepassingen van de film naast elkaar:

Zoals Robert Capa met de fotocamera oorlogsfotograaf was en de Amerikaan Man Ray met de fotografie experimenteerde zo werden films gemaakt van sportwedstrijden, politieke gebeurtenissen en andere evenementen. Beroemd geworden is de opname van de ramp met het luchtschip de Hindenburg op Lakehurst in de V.S.
Beelden konden nog niet worden uitgezonden; geluid wel. In september 1919 zond ir. Idzerda in nederland voor het eerst uit voor directe ontvangst.
De film als artistiek medium begon als kermisvermaak. In de twintiger jaren maakte de film zich los van het 'gefilmde toneelstuk' en begon men de eigen mogelijkheden te gebruiken. Filmen op locatie, in decors, bewegende camerastandpunten e.d.. Beroemde films waren: het slagschip Potemkin van Eisenstein, over de Russische revolutie (1925); en de brug van Joris Ivens (NL) uit 1928. Ook de getekende film werd toegepast door Walt Disney. Door zijn bedrijf begon de tekenfilm een bliksemcarrière die met de toevoeging van kleur en geluid snel de perfecte kinderfilm werd.
De filmindustrie richtte zich voor het grootste deel op de publieksgerichte film, de bioscoopfilm dus. De personen die daarin figureerden werden 'sterren' waardoor de persoonsverering begon. In Hollywood werden zo'n 550 films per jaar gemaakt door bedrijven als Warner Brothers M.G.M. en Paramount Pictures.
Filmsterren uit dit tijdperk van de stomme - dus geluidloze - film waren: Charles Chaplin (in Modern Times, 1936); Harold Lloyd; Buster Keaton in de zogenaamde slapsticks of humoristische sketches. Voorts Marlène Dietrich, Rudolph Valentino, Greta Garbo. Het publiek identificeerde zich soms zeer sterk met zijn filmidolen.

12.2.5 De mode.

De damesmode veranderde duidelijk, maar de herenmode nauwelijks. De slanke taille maakte plaats voor een rechte platte lijn. De jurken reikten tot de knie en voor de blote benen voorzag de textielindustrie in kousen. De mode werd gedicteerd door Coco Chanel en Elsa Schiaparelli. De trend bestond uit strakke rokken gecombineerd met pullovers, een kort jongensachtig kapsel onder een pothoed. Het haar werd later ook geonduleerd ofwel met een haarkrultang bewerkt in permanent-wave. De make-up, met als nouveauté lippenstift, werd voorgeschreven door Elisabeth Arden en Helena Rubinstein. Het bruinen als verschijnsel deed zijn intrede. Door een bruine teint onderscheidde men zich van de werkende klasse.
Een nieuwe bron voor de mode was de film. De kleding van filmsterren werd nagemaakt. Zo introduceerde de filmster Marlène Dietrich de 'onvrouwelijke', wijde pantalon, een dracht die prompt werd nagevolgd. Lang niet iedereen kon zich de geldende dure mode veroorloven. De financiële schaarste tijdens de crisisjaren maakte dat onmogelijk. Maar in de modetijdschriften als Vogue en Harpers Bazaar stonden knippatronen van nieuwe Parijse modellen die in nijvere huisvlijt nagemaakt werden.
Over de dagelijkse dracht kan men zeggen dat de damesmode mannelijker en de herenmode (enigszins) vrouwelijker was geworden. De man droeg colbertkostuums van tweedstof met een rugceintuur en een broekriem in plaats van bretels. De rits verving de knoop als sluiting .

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


12.3 Uit de kunst

EUR
Esposizione Universale di Roma, na 1937.
---

12.3.1 Kunst en politiek

Politieke machthebbers begrepen dat zowel de media als de kunsten zeer wel konden bijdragen aan het versterken van een imago. De schrijvende pers en de radio, indien onder controle gehouden, waren uitstekende instrumenten om de massa te indoctrineren. Kunstwerken, in opdracht gemaakt, verschaften leiders aanzien, voornamelijk door ambitieuze bouwprojecten en pompeuze beeldhouwkunst. Drie landen profileerden zich in dit opzicht, Rusland, Italië en Duitsland.

Kenmerken van het Russische Constructivisme:
Na de Russische revolutie hadden de bolsjewieken de wens om ideeën van Marx te 'vertalen' in kunst en vormgeving:
  • geen plaats voor persoonlijke, individuele uitingen;
  • dynamische vormgeving en compositie (modern, snel);
  • communicatie met grafische en fotografische middelen;
  • machinale productie dienstbaar aan socialistisch ideaal;
  • beeldende kunst een eerste fase in de ontwikkeling van gebruiksvoorwerpen;
  • in architectuur en beeldhouwkunst: openheid (ruimteomschrijvend);

In Rusland werd na de revolutie de kunst afhankelijk van het communistische bewind. De revolutiekunst werd het constructivisme met kunstenaars als Tatlin en Lissitsky. De kunstwerken van het constructivisme onderscheidden zich van de traditionele kunst door het technische karakter van de beeldhouwkunst die een architectonisch karakter had. De toegepaste kunsten leverden propagandamateriaal voor de partij op. Met de verstarring van de maatschappij in het keurslijf van het partijcommunisme verstarde ook de vrije kunst.

In Italië was Benito Mussolini aan de macht die besefte dat Rome aan de wieg van de beschaving had gestaan en Rome's grandeur weer wilde doen opleven. Hij liet het Stadio dei marmi bouwen voor de Olympische spelen te Rome. Zijn grootste bouwproject was de Esposizione Universale di Roma (E.U.R.) een grote symmetrisch aangelegde stadswijk met een imponerend karakter.

Fascistische architectuur heeft een ongemakkelijk karakter. Mussolini zei het zo:


"De democratie nam de nieuwe stijl uit de handen van het volk: dat wil zeggen verhoudingen, kleur, kracht, materiaal, mystiek, alles wat invloed heeft op het gevoelsleven van de massa. Wij beroeren alle snaren van geweld tot religie, van kunst tot politiek."

Tribune voor Lenin, 1920
El Lissitzky, Tribune voor Lenin, 1920.
Afbeelding: Wikimedia.

---

Monumentaliteit en massamoord, fascisme en geweld gaan altijd samen. Het absurde heroïsme van de fascisten drukte zich uit in monumentalisme.
Toen Hitler in 1933 Reichskanzler werd, ontwikkelde hij al spoedig mega-projecten voor Berlijn. De hoofdstad zou vervangen worden door Germania ontworpen door de architect Albert Speer. Gerdy Troost, de privé architecte van Hitler kenschetste de plannen als volgt:

"de gebouwen zouden neerkijken op de stad zoals Hitler neerkeek op het volk".

De Duitse projecten volgden qua vormgeving de principes van het Bauhaus, maar misten elke menselijke maat.

12.3.2 Muziek

Door de grote verspreiding van radio's en grammofoonplaten werd de invloed van en belangstelling voor muziek versterkt.
Nieuw was de jazzmuziek. Het woord jazz stamt van jass of jassig dat waarschijnlijk een grof scheldwoord uit een bordeel in New Orleans was. Het werd als pseudo eretitel in de naam van een band opgenomen: Tom Browns Dixie Jazz Band (1915). De jazzmuziek kwam voort uit Afrikaanse en Europese volksmuziek en negro-spirituals. Het hoofdprincipe in de jazz is het beurtelings improviseren van de verschillende leden van een groep op een melodisch harmonisch thema. In grote lijnen verliep de ontwikkeling in de jazz van:

De grootste namen in de jazzmuziek waren die van King Oliver, Louis Armstrong en Benny Goodman.
Behalve de jazz waren er de overgangsfiguren tussen jazz en de symfonische muziek bijvoorbeeld George Gerschwin (1898-1937) met zijn bekendste stukken: Rhapsody in blue en de negeropera Porgy and Bess. Leonard Bernstein (1918-1992) was componist van musical in deze lijn waarvan de bekendste West side Story was (overigens was dat een opera).
In Europa stond de muziek onder invloed van het expressionisme. Men zocht naar nieuwe toonsoorten en nieuwe vormen. Arnold Schönberg (1874-1951) zocht mogelijkheden in a-tonale composities en een twaalftoonstelsel.
Carl Orff (1895-1982) schreef de Carmina Burana; en Kurt Weil (1900-1950) de Dreigroschenoper, een stuk dat aan de zelfkant van de samenleving speelde.

12.3.3 Dans

Sergej Pavlovitsj Diaghilev (1872-1929), theaterproducent en balletleider, was de leidende figuur van de Ballets Russes 1909-1929.
  • hij omringde zich met de beste beeldende kunstenaars, (Russische) choreografen, dansers en componisten
  • standplaats Monte Carlo, premières meestal in Parijs. Daarna rondreizend;
  • steeds vernieuwend en verrassend: "verbaas mij!";
  • klassieke kenmerken: technisch moeilijk / verhalend;
  • vernieuwend: geen gebruik van basisposities / hoekig / zwaartekracht bevestigend / theaterkostuums i.p.v. balletkleding;
Martha Graham was de grondlegger van moderne dans: ook wel Graham Dance of Modern Dance genoemd.
De kenmerken zijn:
  • centrum middenrif;
  • ademhalingsritme;
  • contraction and release;
  • benen recht onder de romp;
  • contact met de bodem.

In de dans werd het romantische ballet langzamerhand verlaten. Choreografen en danstheoretici gingen op zoek naar grotere expressiemogelijkheden in de dans. De grondlegger van het dansexpressionisme was Émile Jaques-Dalcroze (1865-1950). Zijn idee was dat ritmisch gevoel berust op gewaarwording van de spieren in een voortdurende opeenvolging van spanning en ontspanning. Ook Rudolf (von) Laban (1879-1958) was op zoek naar natuurlijke bewegingsharmonie en naar beweging als expressie van innerlijke gemoedstoestanden (‘Ausdruckstanz’). De expressieve dans werd verder ontwikkeld door Mary Wigman (aards: knielen, hurken, kruipen, vallen - het natuurlijke, het dierlijke) en Kurt Jooss (1901-1979) met zijn beroemde Der grüne Tisch: kritiek op militair geweld en verschrikkingen van de oorlog.
Martha Graham (zie kader) heeft de moderne dans verder uitgewerkt en systematisch beschreven, zodat zij ‘school’ kon maken.
Serge Diaghilev gaf vanaf 1909 leiding aan de z.g. Russische Balletten. Hij werd de kern van de vernieuwingen die mede door jonge choreografen gestalte kregen (zie kader). Grensverleggend werd het ballet Parade uit 1917 van Cocteau, uitgevoerd door dansers van Diaghilev, choreografie van Massini met een decor van Pablo Picasso en op muziek van Erik Satie. In deze productie werkten dus alle baanbrekers uit allerlei kunstvormen samen.

12.3.4 Toneel

In de toneelwereld drong het surrealisme door, afgeleid van de brede surrealistische beweging die zich met name in de schilderkunst manifesteerde. Mijlpalen was 1917 Cocteau: les Mamelles de Tiresias, het was een quasi abstract stuk dat sterk door het surrealisme beïnvloed was. Geestverwante auteurs waren Ionesco en Beckett en in Berlijn Bertolt Brecht. Bij allen was vervreemding het meest kenmerkende aspect. Aan de visuele vormgeving werd gewerkt door kunstenaars die ook in de schilderkunst hun stempel drukten.

12.3.5 Literatuur

In de literatuur werd de omslag gemaakt van neoromantiek via het dadaïsme naar het surrealisme. Guillaume Apollinaire (Frankrijk) introduceerde het poëtisch surrealisme maar tijdens de eerste wereldoorlog stopten alle ontwikkelingen. Tussen de wereldoorlogen ontstonden nieuwe genres; de oorlogsroman en de familieroman. In 1913 startte het Cabaret Voltaire dat een bron van het dadaïsme zou worden.
De grote massa las werk van heel andere sterren zoals Agatha Christie (Engeland 1891-) die zo populair werd dat de uitdrukking 'a Christie for Christmas' gebezigd werd. Zij schreef tientallen detectiveromans die psychologisch goed doordacht waren. Ze situeerde de verhalen in exotische gebieden die ze van eigen reizen kende. Hercule Poirot, een Belgische detective, en Miss Marple een Engelse speurneus waren door Christie gecreëerde romanfiguren. Ook andere landen kenden publiekslievelingen. In Nederland was dat Cissy van Marxveldt (1889-1948) die meisjesboeken schreef. Haar bekendste werk was de 'Joop ter Heul'-serie.

12.3.6 Een algemene beschrijving van de stijlopvatting tussen de eerste en tweede wereldoorlog

Proun, ca. 1922
Il Lissitzky, Proun, ca. 1922.
Afbeelding: Wikimedia.

---

Het aantal -ismen was aan het begin van de eeuw al verrijkt met het fauvisme, het kubisme en het expressionisme. Daar bleef het niet bij. In alle takken van kunst werd heftig geëxperimenteerd met hetzelfde instelling: tegen de burgerlijkheid!
Een tweede trend was de verzelfstandiging van de beeldende middelen. Dat wil zeggen dat de manier waarop (b.v.) geschilderd werd - hoe vorm en kleur werden gebruikt - een doelstelling op zichzelf werd, belangrijker dan het formele uitbeelden van een onderwerp. Men zou kunnen zeggen dat de 'grammatica' van de (beeld)-taal belangrijker werd dan boodschap zelf. Deze richting had geen behoefte meer aan enige herkenbare voorstelling. De vormen werd eerst vervormd (gedeformeerd) en daarna deed de abstractie zijn intrede. De kunst was ook geïnternationaliseerd, dat wil zeggen dat de meeste groepen, scholen en individuen van elkaars werk op de hoogte waren. De stijlen kwamen in meer landen voor.
Door verschillende kunstenaars werd de abstractie direct of na lang zoeken bereikt. In Moskou was dat Kasimir Malewitsj, in München Wasslily Kandinsky, in Amsterdam Piet Mondriaan.
In deze groep stromingen vallen voornamelijk: de Stijlgroep, het Bauhaus en het Futurisme. Deze stromingen omvatten niet alleen schilderkunst maar ook literatuur, architectuur, beeldhouwkunst en kunstnijverheid.
Naast de stromingen die de vorm bestudeerden bleven er ook die nadrukkelijk de voorstelling van een schilderij belangrijk vonden en die schilderden op de naturalistische, traditionele manier. Deze groep omvat het surrealisme, het magisch realisme en de pittura metafysica.

12.3.7 De internationalisering van de bouwkunst

Functionalistische architectuur ging uit van de volgende opvattingen:
  • "Ornament ist Verbrechen" (Adolf Loos);
  • "Form follows Function" (Louis Sullivan);
  • "Het huis is een machine om in te wonen" (Le Corbusier);
  • "Less is more" (Ludwig Mies van der Rohe);
  • belangstelling voor gebruikers;
  • (beton-) skeletbouw ('inwendige' draagstructuur);
  • staal en glas;
  • licht en ruimte;
  • vrij indeelbaar;
  • plat dak;
  • open structuur;

Grote en prestige verschaffende bouwopdrachten kwamen niet alleen van de overheid maar ook van multinationals, banken en grote bedrijven. Het uitbeelden van de identiteit van het opdrachtverlenende bedrijf werd een opgave voor architecten. De expressionistische bouwkunst kwam daar enigszins aan tegemoet.
De moderne bouwkunst kreeg een internationaal karakter door de oprichting van het Congres International d'Architecture Moderne (C.I.A.M., dat bestond tot 1959). De vormgeving van gebouwen kan worden samengevat in de term functionalisme - nieuwe zakelijkheid. Dat wil zeggen dat het vertrekpunt voor de architect niet het scheppen van een esthetische creatie was maar de functie van een gebouw. Het ontwerpen vanuit de menselijke maat en het gebruik door mensen van met elkaar samenhangende ruimtes in een gebouw werd het primaire probleem. Form follows function was de slogan. Erg veel rechthoeken en rechtlijnigheid was het eerste zichtbare gevolg.
Binnen de bouwkunst waren stromingen te onderscheiden die binnen de doelstellingen van het functionalisme toch verschillende karakteristieken lieten zien.

12.3.8 De vertegenwoordigers van de 'vorm'.

Het Bauhaus

Paestum
Het Bauhaus was een kunstenaarsopleiding met de volgende karakteristieken:
  • kunstacademie als een soort gilde, naar voorbeeld van middeleeuwse bouwloodsen;
  • grondige en volledige cursus;
  • aanvankelijk vooral gericht op herstel van de relatie met het kunstambacht, later op de industrie;
  • invloed van De Stijl: vormzuiverheid en het zoeken naar universele, harmonische ordening;
  • invloed constructivisme: geloof in de machine als middel voor vooruitgang.

De directe voorloper van het Bauhaus was de Kunstgewerbeschule in Weimar, opgericht door Henri van de Velde. Walter Gropius (1883-1932) zette de school om in een progressieve academie van beeldende kunsten. Hij streefde naar een systematisch onderzoek van alle takken van ontwerpen uiteenlopend van theatervormgeving tot toegepaste grafiek. Einddoel was de synthese van alle kunsten in een soort totaalkunst. In het oprichtingsmanifest stond:
"Das Endziel aller bildnerischen Tätigkeit is der Bau".
Gropius was zelf architect en ontwierp het nieuwe gebouw van het Bauhaus na de verhuizing (1919) van Weimar - de eerste vestiging - naar Dessau (afbeelding hierboven).
In 1932 verhuisde het Bauhaus opnieuw; naar Berlijn. De nazi's vonden het Bauhaus veel te progressief en ontbonden uiteindelijk het instituut. Het grootste talent van Gropius was het bijeenbrengen van al die kunstenaars die inzicht en talent in de cursorische opbouw van het Bauhausopleiding staken. De kunstnijverheid nam te midden van de 'normale' werkplaatsen voor beeldhouwkunst schilderen en grafiek een minstens zo belangrijke plaats in. Ook de nieuwe industriële vormgeving kreeg een plaats in het geheel. Een stelregel die de essentie van de Bauhaus-filosofie aanduidde was: "Er bestaat geen wezenlijk verschil tussen kunstenaar en ambachtsman".

Oskar Schlemmer, Geländerszene, 1932
Oskar Schlemmer, Geländerszene, 1932.
---
Oskar Schlemmer
Oskar Schlemmer, kostuums voor het Triadische Ballett.
---
Theo van Doesburg
Theo van Doesburg.
Ritme van een Russische dans.

---

Een groot aantal kunstenaars gaf les aan het Bauhaus: Paul Klee, Wassily Kandinsky, Josef Albers, Paul Citroen, Johannes Itten en vele anderen. Tijdens het bestaan van deze eigensoortige opleiding verschoof het zwaartepunt van de vrije kunsten naar bouwkunst en design; anders gezegd: van expressie naar constructie. Verschillende docenten legden hun gedachtengoed vast in de z.g. Bauhausbücher. Itten publiceerde zijn kleurenleer. Kandinsky: "Punkt und Linië zur Fläche". Paul Klee schreef: ‘Pädagogisches Skizzenbuch'. Bekende producten uit het Bauhaus waren het industrieel vormgegeven tafellampje en de fauteuil van buizen en leer van Mies van der Rohe.
Nadat het Bauhaus door de Nazi's verboden was, vertrokken veel docenten naar de Verenigde Staten. De principes van het Bauhaus met betrekking tot vormgeving en verhouding tussen kunst en industrie en haar leermethoden gingen allerminst verloren. Moholy Nagy stichtte te Chicago het Institute of Design(1938). Ludwig Mies van der Rohe zou de moderne bouwkunst in de Verenigde Staten sterk beïnvloeden.
Oskar Schlemmer (1888- 1943) zorgde van 1920 tot 1929 voor de afdeling theatervormgeving aan het Bauhaus. Hij zag theater als een versmelting van ruimte en beweging, het toneel als een synthese van ruimte en bouw. De acteurs die optraden in zijn Triadische Ballett waren meer de uitvoerders van geometrische patronen van dansende mensen. Hij herschiep de menselijke gestalte tot groteske bewegende vorm.

De stijlgroep

In zekere zin zat de Nederlandse groep kunstenaars verenigd in de Stijl op dezelfde lijn als het Bauhaus. Onder leiding van Theo van Doesburg (1883-1931), formeerde zich de groep schilders en architecten. De vormdeformaties van de kubisten ging hen niet ver genoeg.
" Kleuren werkten als symbolen, men zocht naar de harmonie van het universum."
De Stijlgroep ontleende haar ideeën (ten dele) aan oosterse en westerse mystiek, meer speciaal de Theosofie van Schoenmakers. Zo stelden zij dat horizontaal passiviteit en verticaal activiteit betekenden. Het contrast wit-zwart verwees naar dag-nacht.
De Stijlgroep wilde de kunst onafhankelijk maken van de natuur en wees elke subjectiviteit af. De kunst van de Stijl werd dan ook snel abstract. In oktober 1917 gaf Van Doesburg een tijdschrift uit de Stijl geheten. Het blad bleef tot 1928 bestaan. De groep deelnemende kunstenaars wisselde voortdurend. De extraverte Van Doesburg wist telkens nieuwe personen aan te trekken. De bekendste waren Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld.
Behalve aan het ontbreken van figuratie herkent men de schilderijen van de Stijl-leden aan het gebruik van primaire kleuren, geometrische vormen en een onpersoonlijke schilderwijze. Van de nagestreefde universele harmonie die de levensbeschouwing van elk mens zou moeten doordringen is slechts het visuele aspect waarneembaar, mits men daar gevoeligheid voor bezit.

De grootste betekenis had het werk van Piet Mondriaan voor de bekendheid van De Stijl. Zijn utopie was de universele harmonie te bereiken. Hij doorliep consequent de weg van het figuratieve naar de zuivere abstractie. Het ene beeldmiddel na het ander werd door Mondriaan terzijde geschoven. Tenslotte waren zijn schilderijen vierkant en bestonden uit een uitgewogen compositie van horizontale en verticale lijnen, rechthoekige vlakken in primaire kleuren en grijs. Mondriaan verhuisde naar New York waar hij in enkele laatste schilderijen plotseling de zwarte lijn verliet voor een ritmische herhaling van gekleurde kleine vlakken. Het schilderij Broadway boogie woogie.is een van die laatste werken. Mondriaan die een ascetisch en introvert karakter had (zijn huisinterieur was geheel in sobere grijzen) was een verwoed liefhebber van dansen. Wellicht dat iets daarvan in dit schilderij doorklinkt.

12.3.9 Vertegenwoordigers van 'de inhoud'

Dadaïsme en surrealisme

Kenmerken van Dada:
  • geen stijl maar een beweging;
  • New York, Zürich, Parijs, Berlijn, Hannover, Keulen en Barcelona;
  • anti-kunst: drijft de spot met heersende kunstopvattingen, echter zonder alternatief te bieden;
  • aanval op kunst, filosofie en literatuur;
  • uitvoeringen van zang, muziek, dans, poppenspel en voordrachten;
  • satire, ironie, (woord) spelletjes;
  • absurdistisch;
  • provocerend;
  • gebruik maken van kant-en-klare materialen: 'ready-mades'en assemblages;
  • gebruik van grafische elementen in collages en fotomontages;
  • sterk maatschappelijk en politiek geëngageerd.

De schilders die zich concentreerden op de inhoud van de kunst bedienden zich van een traditionele wijze van uitbeelden. Vormproblemen werden door de surrealisten niet aan de orde gesteld. De inhoudelijke veranderingen waren echter niet gering. Ze moeten worden bezien tegen de achtergrond van ontwikkelingen op geesteswetenschappelijk terrein. Door de psychoanalyse werd de wereld van de droom, en het onderbewustzijn kenbaar gemaakt. De gebruikelijke onderwerpen van de schilder als landschap, historiestuk, portret e.d. werden uitgebreid met fantastische voorstellingen die onduldbare betekenissen opriepen. Het publiek en de kunstkritiek werden schoksgewijs voorbereid op de inhoudelijke vernieuwing door het dadaïsme. Het woord dada was òf een uitroep van een klein kind òf geprikt in een Roemeens woordenboek, enige bedoeling had de term niet. In verschillende steden vormden zich groepen die uit anarchistische motieven alle bestaande kunstvormen bestreden. Het Cabaret Voltaire in Zürich was zo'n groep. De bestaande cultuur moest vernietigd worden en de schilderkunst moest weer in dienst van de geest worden gesteld. In München (met Kandinsky) en Moskou (met Malevitsj) waren ook groepjes die op luidruchtige en spectaculaire wijze hun ideeën naar buiten brachten.

De meest spraakmakende figuren van het dadaïsme was Marcel Duchamps. Van Marcel Duchamps zijn met name de ready mades bekend geworden. Door het kiezen van een voorwerp en dat tot kunstvoorwerp te verheffen en het ook als zodanig te exposeren maakte hij enerzijds de bestaande kunst belachelijk en veegde hij de vloer aan met alle serieuze kunsttheorie en waardenbesef. Hij signeerde het urinoir met R. Mutt (1917). Duchamps doelstelling was de vernietiging van alle kunst. Na 1918 heeft hij dan ook niets meer gemaakt. Na het dadaïsme was de kloof tussen het grote publiek en de avant-garde niet bepaald smaller geworden maar wel als feit erkend. Men kon nu van alles verwachten.

Het surrealisme ontstond in 1920. Het was de gepopulariseerde en zichtbaar gemaakte vorm van de dieptepsychologie. Het putte zijn motieven uit het onderbewustzijn, de droom en het automatische handelen. De charme van het surrealisme was dat het zich bediende van glasheldere wijze van uitbeelden die direct de fantasie van de kijker aansprak. De ongekroonde koning van het surrealisme was Salvador Dali, mede door zijn extravagante gedrag. Dali gebruikte vooral op elkaar aansluitende (=rijmende) beelden, en combinaties van tijd en ruimteverschil.

Rene Magritte was de belangrijkste Belgische vertegenwoordiger van het surrealisme. In zijn werk werden natuurwetten ontkend op soms zeer subtiele wijze zodat de kijker in eerste instantie met een zuiver realistisch beeld denkt te maken te hebben.

Naast het officiële surrealisme waren nog lokale varianten die van de hoofdstroom te onderscheiden waren. In Nederland was er het magisch realisme. Dit werd beoefend door o.a. Carel Willink. Het meest opvallende verschil met het surrealisme is de keuze van alledaagse beelden; die zijn echter zo geschilderd, onder meer met een sterk licht-donker, dat ze verstild, vervreemdend en beangstigend overkomen.

Geheel apart stond de Nederlandse tekenaar-graficus Maurits C.Escher die in vernuftige schijnperspectivische constructies het menselijk zien ondervroeg.

12.3.10 Het expressionisme, het vervolg

Na het spectaculaire begin van het expressionisme in de vorm van het fauvisme, het kubisme, Die Brücke en Der Blaue Reiter vielen alle groepen weer uiteen. Alle leidinggevende schilders en beeldhouwers zochten verder naar hun eigen vorm maar domineerden toch dit tijdperk. Matisse, Picasso, Munch, Chagall, Ensor, Klee, Kirchner, Kandinsky, Malevitsj en vele anderen. Van nieuwe groeperingen was geen sprake meer. In Duitsland kreeg het expressionisme een socialistische en maatschappijkritische strekking door Max Beckmann en Georg Grosz.
De Verenigde Staten speelden nog geen rol van grote betekenis in de ontwikkeling van de kunst. Pas na de tweede wereldoorlog zou het centrum van de kunst zich naar New York verplaatsen. De kunst in de V.S. volgde de stromingen in Europa. Op het expressionisme ontstond een abstracte variant die daardoor het abstract expressionisme genoemd werd. De oorsprong van dit expressionisme lag in de betekenis die men hechtte aan de vrije motoriek van het schilderen, dus de ongeremde handeling van het schilderen zelf. In Frankrijk bestond voor WO II het tachisme ofwel de Ecole de Paris, die als zodanig geen groep of school was. De kunstenaars gingen het schilderdoek te lijf als een 'natuurlijke tegenstander voor het innerlijk'. Enige voorstelling, bedachtzaamheid of stapsgewijze ontwikkeling was niet aan de orde. Het penseel en de kwast als gereedschappen werden aangevuld met paletmes, de verf direct uit de tube en het smijten met verf. In de V.S. zou deze trend zich doorzetten onder de naam action painting.

12.3.11 Amerikaans realisme: Edward Hopper

In de V.S. is pas laat het werk van Edward Hopper ontdekt. Hij leefde van 1882 tot 1967 en gaf als expressionist op geheel eigen wijze het aanzien van de moderne stad en mensen daarin weer. Hopper was een visuele dichter die de realistische en figuratieve traditie in de schilderkunst onverkort voortzette. Zijn grootste kracht was dat hij met beperkte beeldende middelen - kleur, ruimte licht en donker - exact díe aspecten van de stad en de vereenzaamde mens daarin wist te verbeelden op een manier die alleen de schilderkunst als 'taal' gegeven is. De sfeer in Hoppers schilderijen kenschets zijn karakter. Hij was erg op zichzelf betrokken, werkte alleen, en stond buiten alle artistieke meningsverschillen.
"De enige invloed die ik heb ondergaan is die van mijzelf", zei hij.
In 'Nighthawks', gemaakt in 1942, laat hij vier mensen zien bij elkaar in een verder lege ruimte die door glas gescheiden is van een nog grotere leegte. Met licht wordt hier de ruimte gecomponeerd. De toeschouwer staat in het kunstlichtdonker en is de vijfde 'nighthawk'.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.




Valid HTML 4.01 Transitional