Hoge middeleeuwen


Molfetta, Apulië, Italië
De Dom San.Corrado in Molfetta (Apulië) dateert uit ca. 1150.


Hervormingen in de kerk

In het klooster van Cluny in Bourgondië (Frankrijk) kwam een beweging op gang die streefde naar een zuivere toepassing van de regel van Benedictus, om zo het verval in de Kerk tegen te gaan. Een aantal bekwame abten maakte Cluny bijzonder populair. Zo populair dat er al gauw overal in Europa 'filialen' kwamen. Aan het eind van de 11de eeuw waren er in Europa zo'n 2000 kloosters met Cluny verbonden. De hervormingen van de cluniacenzers binnen de kloosters versterkten de Kerk zodanig dat ook daarbuiten orde op zaken kon worden gesteld.
De cluniacenzer kloosterhervormingen gingen niet iedereen ver genoeg. De kloosters van Cluny waren nog altijd rijk, naast het bidden werkten de monniken niet en ze aten overvloedig. Van echte versterving was dus nog lang geen sprake.
In het begin van de 12de eeuw ontstonden er daarom weer nieuwe kloosterorden die nog veel verder wilden terugkeren naar de oorspronkelijke idealen van armoede, eenzaamheid en arbeid. De bekendste van deze orden zijn die van de Kartuizers en van de Cisterciënzers.
"De kerk fonkelt van alle kanten, maar de armen leven in ontbering; haar stenen zijn met goud bedekt, maar haar kinderen hebben niets om zich mee te kleden; de liefhebbers vinden in de kerk genoeg om hun nieuwsgierigheid te bevredigen, maar de armen vinden er niets om hun ellende mee te verlichten",
aldus Bernard van Clairvaux, de leidende figuur uit de begintijd van de orde van Cīteaux (=Cisterciënzerorde).


© COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

De maatschappij van de drie standen.

De bloeiperiode van de romaanse kunst, de 12de eeuw, is tegelijk de bloeiperiode van het feodale systeem. De maatschappelijke orde was in die tijd heel duidelijk. Er waren mensen die baden, er waren er die streden, er waren er die werkten: de geestelijkheid (al dan niet levend volgens een kloosterregel), de adel (zij die afstamden van koningen of hun leenmannen, later uitgebreid met de ridderstand) en de derde stand (boeren en burgers). De drie standen of orden waren volledig op elkaar aangewezen maar waren niet gelijkwaardig.
De geestelijken waren het belangrijkst omdat zij in direct contact stonden met God en de taak hadden Hem gunstig te stemmen in het belang van allen. Dan volgden de edelen, van wie het de taak was het kwaad te verdrijven en de vrede te bewaren. Tenslotte de grote massa van boeren die de andere twee standen en zichzelf moesten voeden; zij hadden verder niets te vertellen. (De burgerij in de steden speelde in dit maatschappijbeeld nog geen rol).
Behalve dat de taken duidelijk waren gescheiden, was er een sterke rangorde in gezag (hiërarchie). Hoe hoger de positie, hoe minder er van waren. Een koning of keizer was er per land uiteraard maar één. Vorsten waren er enkele honderden; zo'n 0,001% van de bevolking (geschatte aantallen in het jaar 1250). Geestelijken vormden slechts 0,2% van de bevolking. Ridders en hun families maakten ongeveer 2% van de bevolking uit. Het aantal burgers was in 1250 al gegroeid tot ongeveer 8% van het totaal. In dat jaar (al ver in de gotische periode) was nog 89% van de mensen boer.
In de middeleeuwen was de macht dus in handen van een hele kleine minderheid. De boeren waren altijd verplicht tot werkzaamheden op het land van hun heer en produceerden voor zichzelf maar net genoeg om in leven te kunnen blijven. De heersende klasse hield de boeren arm en zwak, en dus afhankelijk.
De opbrengsten van de arbeid van de boeren kwamen voornamelijk terecht bij de ridders. Die gaven hun inkomsten uit aan luxe en plezier. Verder moesten de boeren ook nog eens een tiende deel van het graan en al het vee dat geboren werd afstaan aan de Kerk (de tienden).

© COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

De Sallische keizers en de investituurstrijd

Hendrik de Heilige
Hendrik II (de Heilige) en zijn gemalin Kunigunde. Beeldhouwwerk in het Adamsportaal van de dom van Bamberg (ca 1220, Beieren, Duitsland. Kopieën, de originelen bevinden zich in het Bisschoppelijk museum).

Op 8 september 1024 werd Koenraad II, zoon van de Frankische graaf Hendrik van Speyer uit het geslacht der Salliërs, tot koning van het Duitse Rijk gekroond. Het Sallische huis zou ruim een eeuw aan de macht blijven. Na Koenraad II volgden Hendrik II en Hendrik III.
Hendrik III toonde zich een waardig beschermer van de kerk en van het pausdom. In 1046 belegde hij een synode in de stad Sutri, ten noorden van Rome, tijdens welke hij de Romeinse edelen - die voortdurend eigen pausen naar voren schoven - buiten spel zette. Hij zette Gregorius VI af, (want die had de pauselijke waardigheid gekocht van zijn voorganger) en benoemde een Duitse bisschop tot paus. Hij maakte nog eens duidelijk dat de keizer in het vervolg een beslissende stem zou hebben bij de pauskeuze. En omdat Hendrik het beste met de kerk voor had, werden er in de jaren die volgden een aantal voortreffelijke pausen aangesteld. Dat was goed voor de kerk, maar slecht voor de keizer, want het waren juist deze serieuze pausen die grote kritiek hadden op de benoeming van geestelijken door leken, zoals de keizer, en daar graag een einde aan wilden maken. Dit resulteerde in een jarenlange strijd tussen paus en keizer die zijn hoogtepunt bereikte in de tweede helft van de elfde eeuw. Hoofdrolspelers in die strijd waren Hildebrand van Soana en Hendrik IV.

Hildebrand had een prominente plaats in de Romeinse clerus. Hij had bijzonder veel invloed, maar opereerde steeds op de achtergrond. Voor maar liefst vijf pausen was hij een belangrijk adviseur en daardoor had hij tientallen jaren de tijd om te werken aan de verwezenlijking van zijn doel: het uitbannen van misstanden in de clerus. Hij wilde een eind maken aan de praktijk van het verkopen van kerkelijke ambten (tot en met dat van paus) aan het priesterhuwelijk (dat ondanks een officieel verbod nog steeds op grote schaal voorkwam), de lekeninvestituur, maar ook aan de eeuwige machtsstrijd rond de pauselijke stoel en de grote invloed van de Duitse adel op de pauskeuze (we zullen dadelijk zien hoe hij de noormannen in Zuid-Italië daarvoor wilde gebruiken). In 1073 werd Hildebrand uiteindelijk zelf paus. Hij koos de naam Gregorius VII.

Hendrik IV was nog maar een kind van vijf toen zijn vader in 1056 stierf. De kleine Hendrik kwam onder regentschap te staan van zijn moeder Agnes. De anti-keizerlijke hervormers maakten gebruik van de zwakke positie van het Duitse hof om een aantal maatregelen te nemen die de macht van de keizer over de kerk moest verminderen. Rond pasen van het jaar 1059 hielden zij in het Lateraan een concilie waarin zij bepaalden dat de paus voortaan gekozen zou worden door een kiescollege dat bestond uit kardinaal-bisschoppen (bisschoppen uit de omgeving van Rome) en de kardinaal-priesters (pastoors uit de stad zelf). Daardoor zou de keizer nauwelijks meer invloed op de pauskeuze kunnen uitoefenen. Verder maakte de paus nog eens duidelijk dat het nu echt afgelopen moest zijn met de lekeninvestituur. Ook dat betekende een grote aantasting van de macht van de keizer, die juist door bisschoppen als leenmannen aan te stellen zijn rijk zo goed onder controle wist te houden. Tenslotte erkende de paus de Noormannenleider Robert Guiscard als vazal. Daarmee maakte hij duidelijk het oppergezag uit te kunnen oefenen over de wereldlijke staten en bereikte hij verder dat hij voor militaire steun niet meer altijd een beroep hoefde te doen op Duitsland.
De middeleeuwse koningen hadden zichzelf tot dan toe beschouwd als dienaren van God die geroepen waren in Zijn naam over de wereld te heersen, net als de koningen van Israël in het oude testament. Iedereen, ook de paus, diende zich aan hun gezag te onderwerpen. De pausen beweerden nu het tegenovergestelde en Greogorius VII deed dat met een nog niet eerder vertoonde stelligheid.
Hoe hij over de positie van het pausdom dacht, blijkt duidelijk uit de lijst van 27 stellingen (Dictatus Papae) die hij in 1075 opstelde. Hierin beweert hij onder meer dat het hem is toegestaan de keizer af te zetten; dat zijn oordeel door niemand kan worden herroepen; dat hij door niemand mag worden berecht; dat de kerk van Rome nooit gedwaald heeft en nooit dwalen zal en dat elke paus door de verdiensten van Sint Pieter heilig wordt. Als het aan Gregorius had gelegen zou de paus in het vervolg in de naam van God over de wereld hebben geheerst.
Maar Hendrik IV was er nog. Ondanks het verbod van de paus ging Hendrik rustig verder met het benoemen van bisschoppen. Toen Gregorius hem daarvoor dreigde te straffen met de kerkelijke ban, gaf Hendrik opdracht Gregorius af te zetten. Gregorius was echter geenszins van plan op te stappen. In plaats daarvan voerde hij zijn dreigement uit: hij sprak zijn banvloek over de koning uit.
Zelfs voor de meest cynische middeleeuwers moet het een zware straf zijn geweest uit de christelijke gemeenschap te worden verstoten. Tijdens je leven hoorde je er niet meer bij: christenen mochten je niet gehoorzamen en niet met je in hetzelfde huis verblijven. En na je dood was er geen plaats voor je in de hemel.
Voor Hendrik had het grote politieke consequenties dat zijn onderdanen hem niet meer mochten gehoorzamen. De eersten die zich van hem afkeerden waren de bisschoppen en die vormden nu juist de ruggengraat van zijn bestuurlijke organisatie.
De bisschoppen nodigden de paus uit naar Augsburg te komen, om een nieuwe regeling te bespreken. Hendrik IV begreep dat hij van de banvloek ontslagen moest worden om zijn macht terug te krijgen en wachtte de aankomst van de paus niet af maar reisde de paus tegemoet. In januari 1077 bereikte Hendrik de paus, die op dat moment te gast was in kasteel Canossa van markgravin Mathilde, van Toscane, gelegen in de Appenijnen, niet ver van Reggio nell'Emilia. Hendrik smeekte Gregorius om opheffing van de ban. Gregorius besloot, nadat hij Hendrik drie dagen voor de poort van het kasteel in de kou had laten staan, Hendrik weer tot de kerk toe te laten. Hendrik kreeg toen de steun van zijn bisschoppen weer terug, maar de Duitse rijksvorsten steunden een tegenkoning. Daardoor ontstond in Duitsland een burgeroorlog die duurde tot de tegenkoning in 1080 sneuvelde.
Hendrik voelde zich toen sterk genoeg om de paus aan te pakken. Hij liet Wilbert van Ravenna, zijn kanselier in Italië, tot tegenpaus kiezen en trok naar Rome, dat hij in 1083 innam. Gregorius verschanste zich in de Engelenburg en deed een beroep op zijn nieuwbakken vazal Robert Guiscard, de Noorman, om hem te komen bevrijden. Dat deden de Noormannen, maar en passant verwoestten en plunderden zij de halve stad, zodat het Gregorius verstandiger leek mét hen Rome te verlaten. Een jaar later stierf hij, in eenzaamheid, te Salerno.
De keizer was de overwinnaar, althans voorlopig, want de strijd was nog niet ten einde. Ook onder Hendrik V (1106-1125), zoon van Hendrik IV, ging de gebruikelijke stoelendans rond de stoel van Petrus voorlopig verder en probeerden keizergezinde en hervormingsgezinde kandidaten - elk gesteund door hun eigen partij - elkaar te verdringen.

Pas in 1122 kwam er een einde aan de investituurstrijd, door het concordaat van Worms. Bepaald werd dat Hendrik - althans in Duitsland - afstand deed van de investituur en de keuze van abten en bisschoppen voortaan aan geestelijken overliet. De keizer, of diens vertegenwoordiger, mocht alleen in geval van onenigheid de beslissende keuze maken. De koning bleef de gekozen prelaat wel investeren met de wereldlijke goederen die bij zijn ambt behoorden.
Het concordaat van Worms was een eerste stapje op weg naar een scheiding van wereldlijke (temporalia) en geestelijke zaken (spiritualia). Dit beroofde de koningen van hun religieus- mythische karakter, waardoor zij zich tot moderner staatsman gingen ontwikkelen, maar gaf ook het christendom de ruimte voor religieuze verdieping.
Hendrik V wees zijn neef Frederik van Zwaben, uit de familie van Hohenstaufen, aan als opvolger. De Duitse vorsten kozen echter voor Lotharius van Saksen (1125), die na twaalf jaar werd opgevolgd door zijn schoonzoon Hendrik de Trotse uit het geslacht van de Welfen. De rijksgroten kozen toen echter voor Koenraad III van Hohenstaufen, de broer van eerder genoemde Frederik van Zwaben. Door die dubbele koningskeuze ontstond een burgeroorlog die meer dan een eeuw zou duren.
Koenraad III van Hohenstaufen (1138-1152) was een onbeduidende koning maar zijn zoon Frederik I Barbarossa gaf het rijk weer aanzien. Over hem, en ook over zijn zoon Hendrik VI en kleinzoon Frederik II, komen we later nog uitgebreid te spreken.

(De Hohenstaufen waren hertogen van Zwaben (it: Svevia) en heren van Weiblingen (door de Italianen verbasterd tot Ghibbellijnen). De Welfen (it: Guelfi) waren de leden van het Beierse huis waarvan de stamvader Welf heette.
Omdat de Hohenstaufen vanaf 1138 de koningen en keizers leverden, hadden zij behalve de Welfen ook de andere rivalen van het Duitse rijk als tegenstander, dat waren de Italiaanse steden die streefden naar onafhankelijkheid en natuurlijk de paus. Deze kozen dan ook meestal de zijde van de Welfen. In Italië worden de namen Welfen en Ghibbellijnen in de loop van de 13e eeuw alleen nog maar gebruikt om er respectievelijk de supporters van paus of keizer mee aan te duiden.)


© COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

Noormannen

In de 9e eeuw vestigden zich Noormannen aan de monding van de Seine. Hun gebied groeide uit tot het hertogdom Normandië dat in 911 door de Franse koning werd erkend. De Noormannen namen in de loop van de 10e eeuw de Franse cultuur en taal over en bekeerden zich tot het rooms-katholicisme. Voor de jonge edelen was Normandië echter al weer snel te klein. Vanuit Normandië ondernamen ze nieuwe avonturen.
Een aantal van hen kwam tijdens pelgrimstochten naar Jeruzalem in Zuid Italië terecht. Dat was rond het jaar 1000 ongeveer als volgt verdeeld. Het gebied van de huidige regio's Campanië en Basilicata werd ingenomen door de Longobardische vorstendommem Capua, Salerno en Benevento, officieel leengoederen van het Rooms Duitse Rijk. De steden Napels, Sorrento, Amalfi en Gaeta waren Byzantijns maar gedroegen zich als zelfstandige stadstaatjes. Apulië en Calabrië waren weer stevig in Byzantijnse handen, al streefden ook daar de grote steden naar onafhankelijkheid. Sicilië tenslotte was volledig Arabisch. De voortdurende gevechten tussen deze bevolkingsgroepen boden vechtersbazen grote kansen voor een militaire carrière. Zo vocht een groep Noormannen aan de kant van Napels tegen Capua. Als beloning daarvoor ontving hun aanvoerder in 1029 een klein graafschapje, Aversa, even ten noorden van Napels. Vanaf dat moment hadden de Noormannen 'eigen' territorium in Zuid-Italië en dat bracht een immigrantenstroom op gang. Onder de immigranten waren drie van de twaalf zonen van een zekere Manfred d'Hauteville: Willem ('IJzeren Arm'), Drogo en Humfried. Ook zij zochten werk als militair. Eerst vochten zij aan de zijde van de Byzantijnen tegen de Saracenen, maar toen her en der opstanden tegen de Byzantijen uitbraken, zagen zij hun kans schoon om, onder Longobardisch commando, het Byzantijnse gebied te veroveren. Toen de Longobarden de strijd niet zo hard doorzetten als de Noormannen wilden, trokken de laatsten het initiatief naar zich toe. In de stad Melfi belegden zij in 1042 een vergadering waarbij Willem ('IJzeren Arm') werd benoemd tot graaf van Troia en Melfi. Het nog te veroveren gebied in Apulië en Calabrië werd alvast verdeeld in graafschappen en toegewezen aan de aanvoerders van de Noormannen. De eerste vijf jaar waren de graven nog leenmannen van de hertog van Capua en Salerno maar daarna werden ze eigen baas. De broers D'Hauteville volgden elkaar op als ongekroonde leiders van de het Noormannengebied. Vanuit Normandië kwamen intussen nieuwe immigranten om de gelederen te versterken. Onder hen een vierde D'Hauteville: Robert Guiscard ('De Sluwe') die in korte tijd een eigen legertje opbouwde.
De Noormannen breidden hun territorium snel uit en gingen daarbij meedogenloos tekeer. Dit tot groot ongenoegen van paus Leo IX die met zijn leger een einde probeerde te maken aan het Noormannengeweld. Hij moest die poging echter bekopen met een grote nederlaag en negen maanden gevangenschap.
Noormannenhoofdstad Melfi, Basilicata
Noormannenhoofdstad Melfi ( Basilicata).

Onder invloed van de hervormingsgezinde Hildebrand, de latere paus Gregorius VII, veranderde houding van de paus ten opzichte van de Noormannen. Rome was voor zijn verdediging afhankelijk van de Duitse keizer en daardoor kon de paus niet optreden tegen de misstanden in de kerk die mede door die keizer in stand werden gehouden en tegen de grote invloed van het Duitse hof op de pauskeuze. De paus zag in de Noormannen dus een alternatief voor de Duitsers en wilde hen aan zich binden. Paus Nicolaas II verhief daarom in juli 1059, tijdens een synode in de Noormannenhoofdstad Melfi, Robert Guiscard tot hertog van Calabrië, Apulië en Sicilië. Robert Guiscard erkende de paus als leenheer. Om de goede betrekkingen te benadrukken wijde de paus persoonlijk de grafkerk van de familie D'Hauteville in het nabijgelegen Venosa.
Robert Guiscard was nu wel hertog van Sicilië, maar voor dat hij daar ook het gezag kon uitoefenen moest hij het eiland eerst veroveren. Het was namelijk nog volledig in handen van Arabieren. In 1061 begon Robert aan die onderneming en nam, samen met zijn broer Roger, Messina in.
Daarna concentreerde Robert zich weer op Apulië. Pas toen daar alle verzet de kop was ingedrukt en de laatste Byzantijnse stad, Bari, in 1071 gevallen was, ging hij zich opnieuw met de verovering van Sicilië bemoeien. Robert en Roger namen in 1072 samen Palermo in, maar na die overwinning keerde Robert definitief naar Apulië terug en liet de verovering van de rest van Sicilië aan Roger over, die daar bijna twintig jaar over zou doen. Roger ging anders te werk dan de Noormannen dusver. Hij probeerde zo weinig mogelijk vijanden te maken en daarom onderdrukte hij de onderworpen bevolking en hun leiders niet, maar gaf hun een plaats in de samenleving en werkte met hen samen. Hij maakte dankbaar gebruik van hun kennis en ervaring en voerde met hun hulp aanzienlijke verbeteringen door in het bestuur van zijn gebied. Arabieren bekleedden hoge posten in zijn regering. Zowel de orthodoxen (de christelijke kerk was in 1054 gescheiden in een orthodox en een katholiek deel) als de islamieten, mochten hun geloof blijven belijden. Roger wist het beste uit de verschillende culturen te verenigen en daardoor werd Sicilië een van de meest welvarende gebieden van Europa.
Op het vasteland was de stabiliteit ver te zoeken. Zolang Robert Guiscard leefde ging het nog wel - al was hij een tijdlang geëxcommuniceerd vanwege zijn gewelddadigheden - maar na zijn dood in 1085 slaagden zijn opvolgers er niet in de eenheid te bewaren en werd Zuid-Italië het toneel van elkaar bevechtende adellijke families. Het werd zo erg dat paus Urbanus II in 1089 een concilie bijeenriep in Melfi in de hoop de vechtersbazen te bewegen tot een godsvrede. Er kwam pas een eind aan de strijd toen Roger II, zoon van Roger I van Sicilië, de macht naar zich toe trok en zich tot hertog van Apulië, Calabrië en Sicilië uitriep (1128). In 1130 ontving hij zelfs de koningskroon.
Hij beperkte de rechten van de adel, verbeterde de rechtspraak en vergrootte de veiligheid. Voor dat laatste zorgde een groot en sterk leger van vazallen en Saracenen. Heel Zuid-Italië was nu stevig in handen van de Noormannen en daarmee was een administratieve eenheid ontstaan die - uitgezonderd de honderdzestig jaar dat Sicilië Aragonees was - zou blijven bestaan tot de eenwording van Italië in de 19e eeuw.
Het koninkrijk bleef echter niet lang meer in handen van de familie D'Hauteville. De laatste van hen, Willem II, stierf kinderloos in 1189 en liet het koninkrijk na aan zijn tante, de dochter van Roger II en echtgenote van koning Hendrik VI van Hohenstaufen. Deze laatste was de zoon van Frederik Barbarossa en keizer vanaf 1191. Hendrik en Constance eisten het koninkrijk op en vestigden zich in 1194 in Palermo.


© COPYRIGHT  2002    EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM     N.JONGENEEL

Kruistochten

De Kerk was niet langer afkerig van geweld. Als geweld nodig was om de vrede af te dwingen, heidenen te bekeren of Heilige plaatsen te veroveren, dan moest het maar. De paus ging dan ook in op het verzoek van de Byzantijnse keizer om hulptroepen te sturen om de stad te beschermen tegen opdringerige Turkse nomaden. In 1095 deed hij een oproep aan de ridders om hun medechristenen in het oosten hulp te bieden. Al vlug lijkt het te hebben vastgestaan dat de deelnemers niet alleen de keizer van Byzantium te hulp zouden schieten maar dat ze van de gelegenheid gebruik zouden maken Jeruzalem, dat sinds 638 in handen van de Arabieren was, te heroveren. Ze zouden herkenbaar zijn aan het symbool van het rode kruis dat ze over hun schouder zouden dragen. Volledige vergeving van hun zonden (volledige aflaat) werd hun als beloning in het vooruitzicht gesteld. Het achterblijvende gezin was onschendbaar en genoot bescherming. Overal in Europa werd de kruistocht gepredikt. Het enthousiasme was zeer groot. De kruistochten zullen veel op avontuur beluste ridders hebben aangetrokken die hoopten op roem, een stuk grond of een rijke buit.
Uiteindelijk namen zo'n 4000 à 5000 ridders aan de eerste kruistocht deel en een nog veel groter aantal soldaten te voet. De Turkse nomaden werden gemakkelijk verslagen en in 1099 werd Jeruzalem ingenomen (wat vergezeld ging van een weerzinwekkende moordpartij). De veroverde gebieden werden opgedeeld in vier kruisvaardersstaten.
Later volgden nog zeven kruistochten. Steeds om de verworven gebieden tegen aanvallers te beschermen of ze, wanneer ze verloren waren gegaan, te heroveren. Zonder veel succes overigens, in 1187 ging Jeruzalem al weer verloren en werd nooit meer voor langere duur terug veroverd. In 1291 viel het laatste christelijke steunpunt in handen van de islamieten, waarmee aan de kruistochten een einde kwam.
De organisatoren van de kruistochten hadden niet alleen religieuze, maar ook economische en politieke bedoelingen. Zo werd een kruisvaardersleger gebruikt voor de inname van Byzantium in 1205. De kruistochten verstoorden de handel via de Middellandse Zee ernstig. Ze leverden eigenlijk niets op. De kuststeden in Italië werden er wèl wijzer van, zoals de stad Venetië die voor een van de kruistochten een hele vloot schepen verhuurde.
Ook strafexpedities tegen afvallige gelovigen en de verovering van het door Moren bewoonde Spanje werden kruistochten genoemd.

© COPYRIGHT  2002    EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM     N.JONGENEEL

De landbouw

In de 11de en 12de eeuw ging men een aantal vindingen op het gebied van de landbouw op grote schaal toepassen. Al de 8ste eeuw is men hier en daar overgegaan op het drieslagstelsel. Dit hield in dat het land het eerste jaar werd bebouwd met wintergraan (tarwe of rogge), het tweede jaar met zomergraan (gerst of haver), het derde jaar braak (=onbebouwd). Door dit drieslagstelsel raakte de grond minder snel uitgeput en bleef het land voldoende opleveren. De haver die werd verbouwd kon worden gebruikt als voedsel voor paarden. Men ging dan ook vaak over van ossen op paarden als trekdier.
Doordat er veel meer ijzer in omloop kwam, werden landbouwwerktuigen verbeterd. Zo kwam bijvoorbeeld de keerploeg in gebruik, die grote kluiten aarde losmaakte en omkeerde waardoor in het veld hoge en lage delen ontstonden. De afwatering verbeterde daardoor zodat ook vochtige gebieden ontgonnen konden worden. De eg, waarmee na het ploegen de kluiten werden verkruimeld, werd door het gebruik van ijzer verbeterd.
De bespanning van de trekdieren werd veranderd. In de 9de of 10de eeuw werd het halsjuk (haam) uitgevonden waardoor de krachten van de trekdieren veel beter werden benut.
Men wist steeds beter hoe de grond bemest moest worden. Om kalkarme gronden te verrijken werd mergel gebruikt.
Door deze en andere landbouwverbeteringen verbeterde de vruchtbaarheid van de grond en nam het rendement toe. Was het in de Karolingische tijd zo dat 1 gezaaide graankorrel gemiddeld 2? korrel oogst opleverde, nu was de verhouding 1 : 4 geworden.
Andere belangrijke uitvindingen na de Romeinse tijd zijn het hoefijzer (9de eeuw) en de watermolen. In de Romeinse tijd werd een molen aangedreven door slaven of dieren. In de laat-Romeinse tijd bedacht men hoe zo'n molen ook met behulp van waterkracht aangedreven zou kunnen worden. Behalve molens voor het malen van het graan kwamen er molens om olie uit olijven, noten of papavers te slaan; voor het maken van mosterd, voor het kloppen van eikeschors voor de leerlooierijen, om metalen te pletten, om hout te zagen, om wede en meekrap te verpulveren zodat ze als verfstoffen gebruikt konden worden en, sinds de 13de eeuw, ook voor het maken van papier, dat daarna het perkament ging verdringen. Windmolens worden voor het eerst vermeld aan het einde van de 12de eeuw.
De verbeteringen in de landbouw leidden uiteraard tot hogere opbrengsten. Die hogere opbrengsten op hun beurt tot bevolkingsgroei. Door de snelle bevolkingsvermeerdering steeg de vraag naar graan enorm waardoor ook de prijzen stegen. Deze hoge prijzen stimuleerden verdere ontginning. Er werden dijken gebouwd om gebieden tegen het water van rivieren en de zee te beschermen; maar ook al om land in te polderen. Het overtollige water werd dan bij eb via sluizen geloosd.

Gevolgen van de hogere landbouwproduktie

De hogere landbouwproduktie leidde tot overschotten die op de markten werden verkocht, waardoor de geldeconomie werd versterkt. Als gevolg daarvan werden door de boeren meer handelsgewassen verbouwd, zoals verfstoffen, hennep (voor touwen) en vlas (voor linnen). Door het toenemen van de handel werd het zinvol wegen te herstellen. Er werden zelfs nieuwe wegen aangelegd, bruggen gebouwd enz.
Door de hogere landbouwopbrengsten waren er minder mensen nodig voor de voedselproduktie. Meer mensen konden zich gaan bezig houden met handel, het uitoefenen van een of ander ambacht of zelfs met kunst en wetenschap. Deze ontwikkeling bevorderde het ontstaan van grotere bevolkingscentra: de steden. De trek naar de steden werd nog bevorderd door de bevolkingsgroei, die eveneens het gevolg was van hogere voedselopbrengsten.

© COPYRIGHT  2002    EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM     N.JONGENEEL

De steden

Een aantal steden was sinds de oudheid onafgebroken bewoond gebleven. Dat waren met name de steden die de bisschoppen als middelpunt van hun diocees hadden gekozen. Nieuwe steden ontwikkelden zich vanaf de 10de eeuw dikwijls rond versterkte abdijen en burchten. Deze versterkingen waren in de voorgaande eeuwen gebouwd om zich tegen invallers als de Noormannen te verdedigen. Toen in de 11de eeuw de handel herleefde vestigden de kooplieden zich bij voorkeur in de nabijheid van deze burchten of abdijen. Op den duur werden deze nederzettingen in hun geheel omgeven door een ringmuur waardoor dan nieuwe steden ontstonden.
Hoewel de steden zich al in deze tijd beginnen te ontwikkelen is de samenleving gedurende de periode van het romaans nog volledig gericht op het platteland.

Handel en industrie

In de elfde eeuw waren de Italiaanse kuststeden sterk genoeg geworden om met hun vloten de Arabische zeerovers te kunnen verslaan. Het waren nu deze steden, als Pisa, Genua, Amalfi en Venetië, die de Middellandse Zee gingen beheersen. Ze dreven handel over zee in graan, specerijen, zout, wijn, ijzeren voorwerpen enz. Ook het vervoeren van pelgrims en later kruisvaarders naar Palestina leverde flinke inkomsten op.
In Noordwest-Europa was veel handel in graan. Ook wijn werd in enorme hoeveelheden verhandeld (van Bordeaux naar Engeland werd in het topjaar 1308-1309 85 miljoen (!) liter wijn vervoerd). Zout was heel belangrijk omdat het zeer veel werd gebruikt voor het conserveren van voedsel. Nederland was in de 11de eeuw al bekend om zijn vis: haring, paling, kabeljauw en zalm.
Wol werd vanuit Engeland geïmporteerd in Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Daar weefde men er lakens van, van hoge kwaliteit. Die werden op de jaarmarkten van Champagne door Italiaanse kooplui opgekocht. In Italië werden de stoffen dan geverfd of verder bewerkt.
Het vervaardigen van wollen stoffen was de belangrijkste tak van nijverheid in de middeleeuwen. Ondernemers kochten de wol in en lieten gespecialiseerde handwerkers deelbewerkingen uitvoeren. Zo waren er wevers, vollers, ververs enz. Die handwerkers hadden meestal elk hun eigen ambachtsgilde (een soort vakvereniging). De Vlaamse steden kwamen door de lakenhandel tot grote bloei.

© COPYRIGHT  2002    EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM     N.JONGENEEL

De abdij

Cisterciënzerabdij van Fossanova (Latium)
Cisterciënzerabdij van Fossanova (Latium)

Als voorbeeld nemen we een kijkje in een Cisterciënzerabdij. Een abdij is een belangrijk klooster, dat geleid wordt door een abt - of een abdis in het geval van een nonnenklooster. In een abdij is de prior de tweede in rang na de abt. De abdijen van de Cisterciënzerorde waren allemaal gesticht op afgelegen plaatsen. De monniken leefden - letterlijk - op grote afstand van de gewone, aardse beslommeringen. De gedachte van de Cisterciënzers was dat de aarde in alle opzichten tot een chaos was geworden. Het was hun taak orde te scheppen in die chaos om zo stukje bij beetje terug te keren naar de paradijstoestand waaruit de wereld was ontstaan. Ze deden dat door zich in de woeste natuur te vestigen en vervolgens het land te ontginnen en te bebouwen, en de woeste rotsblokken die zij aantroffen om te vormen tot de zuivere vormen waaruit hun kloostergebouwen bestaan.
Arbeid vervulde bij de Cisterciënzers een belangrijke rol. Arbeid was een vrijwillige vernedering, die de ziel reinigde en voorkwam dat men zich met andere zaken ging bezighouden.
Cisterciënzers verwierpen de rijkdom en opsmuk van de bestaande abdijen. Bij hen treffen we daarom geen beelden aan, geen muurschilderingen, zelfs geen pleisterwerk op de muren. Ze werkten met secuur afgewerkte stenen waarmee ze eenvoudige en evenwichtige vormen stapelden in harmonische verhoudingen. De enige versieringen bestaan uit gestileerde bladmotieven.
Dat iemand in het klooster terecht kwam was voordien dikwijls de keuze van de vader. Hij schonk dan één van zijn kinderen al op jeugdige leeftijd aan het klooster. Het kind kreeg een opleiding in de kloosterschool en werd automatisch monnik of non. De cisterciënzer-gemeenschap was daarentegen een gemeenschap van volwassenen. Men trad pas op volwassen leeftijd tot de orde toe. Binnen de gemeenschap waren - ondanks het ideaal van gelijkheid - twee groepen: De geloften

Voordat iemand tot het klooster toe trad, moest hij wel zeker van zijn zaak zijn. Hij moest namelijk een drietal geloften afleggen waar hij in principe voor de rest van zijn leven aan vast zat. De eerste gelofte hield in dat hij zijn klooster nooit meer zou verlaten. De tweede dat hij onvoorwaardelijk gehoorzaam zou zijn aan de abt, het hoofd van de abdij. Met de derde gelofte beloofde hij er alles aan te zullen doen te leven naar Gods wil: door armoede, onthouding en soberheid.
De monniken aten matig en kleedden zich met een eenvoudig habijt (sandalen, pij en kraag van ruwe wol). In de meeste ruimtes mocht men niet spreken.

Abdijgebouwen

De afgebeelde plattegrond toont de standaardindeling van de Cisterciënzer-abdijen. Hoewel de vormen van de gebouwen van streek tot streek behoorlijk konden verschillen, is de indeling overal gelijk. Een nadere beschouwing van deze plattegrond levert ons meer informatie over het dagelijks leven in de abdij.
Centrum van de abdij was de kloostergang of pandhof (Q). Deze pandhof bestond uit een tuin omgeven door een zuilengang. Rond de pandhof zijn alle gebouwen gegroepeerd. Al wandelend kon de monnik zich in de pandhof verdiepen in religieuze teksten.
In de keuken (J) werd het eenvoudige voedsel bereid voor zowel de lekebroeders als de monniken. Een grote dampkap zorgde voor de afvoer van rook en stoom. Brood, melk, groenten en eieren vormden de voornaamste bestanddelen van het voedsel. Zo nu en dan waren er speciale maaltijden waarbij vis mocht worden gegeten en wijn gedronken maar het maal beperkte zich ook wel tot aftreksels van beukebladeren, eikels of kastanjes. De normale drank bestond uit water of bier. Vleesgebruik was verboden, behalve voor zieken en na de jaarlijkse aderlating .
De eetzalen of refters lagen aan weerszijden van de keuken: monnikenrefter (I); lekenrefter (K). In de monnikenrefter was een spreekgestoelte aanwezig waar een voorlezer tijdens de in stilte genuttigde maaltijden religieuze verhalen voorlas.
Van bijzonder belang voor de abdij was het scriptorium (G). Hier werden handschriften bestudeerd en gekopieerd. Vele uren per dag waren monniken bezig met dit 'monnikenwerk'. Het scriptorium was iets minder koud dan de rest van de abdij omdat het naast de verwarmingszaal (H) lag, de enige ruimte behalve de keuken waar gestookt mocht worden. Hier werden de monniken ook eens per jaar adergelaten en zeven of acht keer per jaar geschoren.
Plattegrond Cisterciënzerabdij
Plattegrond van een Cisterciënzerabdij.

Oorspronkelijk was de spreekkamer (F) de enige ruimte binnen de abdij waar de monniken de stilte mochten verbreken. Slechts drie monniken mochten zich gelijktijdig in deze ruimte bevinden: de twee met elkaar pratende monniken en de prior die het gesprek bijwoonde.
Naast de spreekkamer bevond zich meestal de trap naar de slaapzaal voor de monniken, die op de eerste verdieping lag (op de grond krioelde het 's nachts van de hekserijen, dacht men). De regel schreef de kloosterlingen voor in een gemeenschappelijke zaal te slapen op strozakken zonder verwarming. Vanuit de slaapzaal voerde een andere trap rechtstreeks naar het koorgedeelte van de kerk.
Onder de monnikenslaapzaal bevond zich de kapittelzaal (D). Elke morgen werd hier door de abt een kapittel (=hoofdstuk) uit de Regel voorgelezen gevolgd door morele lessen. Verder werden allerlei praktische zaken besproken. Monniken die zich schuldig voelden moesten er hun schuld bekennen en werden er terecht gewezen door de abt.
De abdijkerk (A) was uiteraard het belangrijkste gedeelte van de abdij. De kerk was verdeeld in twee delen, gescheiden door een koorhek. Het gedeelte achterin de kerk was het koor voor de monniken (5), het andere gedeelte voor de lekebroeders (7). In het monnikenkoor stonden tegenover elkaar een aantal in lengterichting geplaatste rijen banken. Daar namen de monniken plaats voor de koordienst.
De westzijde van de abdij was het terrein van de lekebroeders. Daar bevonden zich de lekebroederszaal (M) met daar boven de slaapzaal. Zij hadden een eigen gang naar de kerk (N).
Rondom dit centrale gedeelte van de abdij bevonden zich watermolens en allerhande werkplaatsen. Iedere abdij had wel een smidse, een timmerwerkplaats en niet te vergeten een brouwerij. Het bier van de trappisten, zoals de Cisterciënzers tegenwoordig heten, is nog steeds geliefd. Verder waren er verblijven voor gasten en voor zieken.
De Cisterciënzer-abdijen hadden op den duur een groot bezit aan grond. De abdij van Villers in België had bijvoorbeeld 10.000 hectare grond met daarop zestien boerderijen.

© COPYRIGHT  2002    EMMAUSCOLLEGE ROTTERDAM     N.JONGENEEL

De kerk

God in het middelpunt

De middeleeuwse cultuur was theo-centrisch. Dat wil zeggen dat God in het middelpunt stond; het leven was gericht op God en een leven ná de dood. De meeste middeleeuwse kunst is dan ook religieus. Dat de maatschappij gericht was op God, betekende niet dat iedereen zijn best deed om rechtvaardig te leven en zijn naaste lief te hebben.
De Duitse keizers zagen hun keizerschap nog als een goddelijke opdracht. In combinatie met het idee dat zij de erfgenamen waren van het Romeinse rijk leidde dat tot de bouw van klassiek georiënteerde keizerlijke kerken. De belangrijkste daarvan was de kathedraal van Speyer aan de Rijn, waar de graven zijn van een aantal belangrijke keizers uit de romaanse periode.

Godsdienst als specialisme.

De feodale heren, meestal ongeschoold, lieten de betrekkingen met God liever aan de abdijen over. Godsdienst en armenzorg waren een taak van specialisten, van de monniken, vonden zij.
Nergens werd er zo vurig gebeden als in de kloosters. Grootgrondbezitters deden grote schenkingen in ruil voor die gebeden, waardoor ze hoopten de hel te ontlopen. De kloosters werden daardoor enorm rijk waardoor ze in staat waren om kunstwerken te bestellen en de gebouwen te laten verfraaien.
In het feodale denken waren de abdijen een soort kastelen, waarin de monniken als ridders streden voor het zieleheil van de levenden en de doden.

Relikwieën

Het hart van de kerk was het altaar, of misschien nog meer de ruimte daaronder, de crypte, waar de relikwieën werden bewaard: de overblijfselen van heiligen of voorwerpen uit hun leven.
Men schonk deze heiligen offers en eerbetoon in de verwachting dat deze dan een goed woordje zouden doen bij God, voor de schenker of een overleden familielid. Dat zij dat zo nu en dan inderdaad deden, bleek uit de wonderen die in de buurt van de relikwieën gebeurden. De beste plek om te worden begraven was dan ook zo dicht mogelijk bij deze relikwieën, wat regelmatig werd toegestaan.
In de heidense tijd had men de kostbaarheden met de dode meegegeven in het graf. Nu hing men ze rond het beeld van de heilige. De houders (schrijnen) voor de relikwieën waren dikwijls kostbare staaltjes van edelsmeedkunst.

Het gebouw

Arezzo
De absis van Santa Maria della Pieve te Arezzo (12e eeuw) is versierd met een dwergalerij, lisenen en boogfriezen.

Bitonto
Beeldhouwwerk aan het portaal van de kathedraal van Bitonto (Apulië, ca. 1200). De griffioen duidt op de tweeledige natuur van christus: het goddelijke (vogel) en het menselijke (zoogdier) maar ook: koning van de hemel (adelaar) en de aarde (leeuw)

"Het stenen gebouw, waarin de Kerk haar kinderen verzamelt om aan God eer te bewijzen, is de aardse voorafbeelding van de eeuwige Tempel van het hemelse Jeruzalem" (Augustinus, 354-430).
De kerk werd gezien als een afspiegeling van de hemel op aarde. Als een plek waar het goede heerst. Het altaar stond aan de oostzijde, aan de kant waar iedere dag de zon opkomt om de duisternis te verdrijven, een teken van Christus' overwinning op de dood. Daar was het priesterkoor en daar werd het licht de kans gegeven binnen te vloeien.
In het westen lag in het middeleeuwse denken het rijk van de duisternis, van de duistere machten waar tegen de kerk moest worden verdedigd. Aan die kant stond dan ook het westwerk, een vestingachtige voorbouw als bolwerk tegen het kwaad. Daarin bevond zich een voorhal (narthex) die de overgang vormde tussen de boze buitenwereld en het denkbeeldig paradijs dat het kerkschip was. In die voorhal vond, voorafgaand aan de eigenlijke viering, een boeteviering plaats. De ingangsportalen van de voorhal werden rijk versierd met beeldhouwwerk.
In het koor van de kerk klonken acht maal daags de gebeden in Gregoriaanse koorzang. Verder waren er misvieringen en processies. Hoewel de abdijen in principe gesloten waren, werden dikwijls leken in de kerk toegelaten.
Behalve de Gregoriaanse zang moesten ook de schoonheid en harmonie van de architectuur een afspiegeling zijn van het paradijs. De kerken werden van een gewelf voorzien; zowel voor een verbetering van de akoestiek als voor een versterking van de ruimtelijke, 'hemelse' indruk. Eerst eenvoudige tongewelven, later de ingewikkeldere kruisgraadgewelven.
De muren moesten om de gewelven te kunnen dragen nog dikker worden. Om de muren te verlevendigen werd daarin reliëf aangebracht in de vorm van lisenen, rondboogfriezen en dwerggalerijen (zie de afbeelding hiernaast en de pagina over de romaanse kunst).
De meeste monniken werden ook priester, en een priester moest iedere dag de eucharistie opdragen. Daarom waren er in de abdijkerken veel altaren nodig, die werden aangebracht in aparte kapellen. Hiertoe werd de koorpartij bij veel kerken uitgebreid met extra koren of een omgang rond het koor met kapellen daar omheen.
Informatie over de romaanse bouwstijl vindt u hier.

Beeldhouwwerk

Beeldhouwwerk vinden we op de kapitelen, op preekstoelen en altaaroverkappingen, maar vooral rond de toegangsdeuren van voorhal en kerkschip. Ornamenten uit de religieuze edelsmeedkunst en de boekversieringen werden er overgebracht in steen. Bijbelse voorstellingen, maar ook fabelwezens en allerlei gedrochten, ontleend aan de angstige volksfantasie, kregen er hun plaats. Als kwade machten die door de Kerk zouden worden bedwongen. Boven de hoofdtoegang werd meestal Christus afgebeeld als koning, als rechter, als overwinnaar. God werd nog vooral gezien als wreker: talrijk zijn de afbeeldingen van het laatste oordeel, waarop Hij de onrechtvaardigen naar de hel verwijst.
In de romaanse kunst komen vrijstaande beelden weinig voor. De beeldhouwkunst is sterk gebonden aan de architectuur. De figuren zijn, in onze ogen, primitief en onbeholpen weergegeven maar we moeten beseffen dat het de middeleeuwse steenhouwer niet in de eerste plaats ging om de vorm van de afbeeldingen, maar vooral om het verhaal dat ze weergaven. De kerken waren van binnen beschilderd, in kleurvlakken en met taferelen.


Informatie elders op internet

Santa Maria in Trastevere, Rome
Santa Maria in Trastevere (Rome).




BACK   Pagina precedente                   PRINT Stampa pagina                           HOME Home