Vroege christendom in Italië


San Giorgio in Velabro in Rome
De kerk San Giorgio in Velabro in Rome heeft haar oorsprong in de 7e eeuw maar werd in de 12e eeuw verbouwd.


De eerste christenen

De eerste volgelingen (apostelen) van Jezus Christus hadden de opdracht gekregen het evangelie (=goede boodschap) in de hele wereld te verkondigen.
Die goede boodschap houdt in dat Christus door zijn lijden en sterven de zonden van alle mensen op zich heeft genomen en daardoor verzoening tussen de mensen en God mogelijk heeft gemaakt.
De mens is aan zonden en dood onderworpen. Uit eigen kracht kan de hij niet van het kwade verlost worden. Christus' opstanding is een overwinning op de dood, dus op het kwaad. Wie Hem navolgt kan wèl van het kwade worden verlost. Pasen, het feest van de opstanding, is om die reden het belangrijkste Christelijke feest.
Door aanvaarding van het Christelijk geloof, en door naar Gods wil rechtvaardig te leven, wordt de gelovige van zonden bevrijd en zal hij worden toegelaten tot het Koninkrijk van God: een paradijselijke situatie waarin voor de rechtvaardigen een eeuwig leven is weggelegd. Voor de onrechtvaardigen is er de eeuwige straf.
Dat Koninkrijk - dat niet van deze wereld is - zal zijn definitieve vorm krijgen wanneer Christus op aarde zal terugkeren (wat de eerste christenen zeer spoedig verwachtten).
Het succes van de eerste zendingswerkers was groot. In alle belangrijke steden van het Romeinse rijk ontstonden Christelijke gemeenschappen. De bijeenkomsten van gelovigen werden meestal gehouden in de huizen van welgestelde christenen. Later werden ze vervangen door kerkgebouwen. De leiders en leraren in de christelijke gemeentes waren de bisschoppen, geholpen door priesters en diakenen. De bisschop werd gezien als de 'herder' van de mensen, en dan met name van de armen. Armenzorg was een belangrijke taak van de christenen. Zoals de armen afhankelijk waren van hun gaven, waren zij afhankelijk van de gaven van God.
Kerkgebouwen werden meestal gebouwd op de plaatsen waar voordien een woonhuis stond dat als kerk had gediend, of in de nabijheid van plaatsen waar wonderen waren gebeurd, of waar martelaren waren gestorven of begraven. Martelaren zijn christenen die wegens hun geloof zijn gemarteld en gedood. Veel heiligen zijn martelaren. Ze werden vereerd vanwege hun voorbeeldige levenswijze en standvastigheid in het geloof.
De kern van de christelijke eredienst werd al van het begin af aan gevormd door het heilig Avondmaal, of eucharistie. Daarbij wordt door een priester of de bisschop herhaald wat Christus zelf bij het laatste avondmaal deed:
---
Santo Stefano Rotondo, Rome (2e helft 5e eeuw)

"En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn discipelen en zeide: neemt, eet, dit is mijn lichaam. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden." (Matteüs 26: 26-28).
Bij de eucharistieviering worden brood en wijn (volgens de gelovigen op dat moment werkelijk veranderd in lichaam en bloed van Christus) onder gemeenteleden verdeeld.

De doop

De christelijke godsdienst had net als de meeste andere een inwijdingsrite. Om deel te mogen nemen aan de eucharistie moest de gelovige eerst worden gedoopt. In de vroeg-christelijke tijd werd de doop nog voornamelijk aan volwassenen toegediend. De doop vond plaats in een doopkapel (baptisterium) die was opgericht bij de kathedraal (bisschopskerk). De onderdompeling bij de doop symboliseerde een reiniging van de ziel; maar ook sterven (onder water gaan) en wedergeboorte.

De godsdienst tot het jaar 1000

Met de achteruitgang van de Romeinse cultuur raakte ook het religieuze leven op de achtergrond. Godsdienst werd voornamelijk een taak van de monniken in de kloosters. Daarbuiten roofde, moordde en plunderde men er lustig op los, in de verwachting dat de monniken met hun gebed dat wangedrag wel weer zouden goedmaken bij God. Om dat gebed op gang te houden volstond men met het doen van schenkingen aan de kloosters. Daar stapelden zich de rijkdommen op. Bij de invallen van de Noormannen waren de kloosters dan ook dikwijls doelwit van plunderingen. 


COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

Het monnikswezen

Montecassino
De abdij van Montecassino (Lazio) is gesticht door Benedictus. De huidige vorm van het kloostercomplex is renaissance/barok. Het klooster is echter helemaal opnieuw opgebouwd na totale verwoesting in de tweede wereldoorlog.

Het monnikswezen ontstond in de 3de eeuw in Egypte. Dat maakte toen nog deel uit van het Romeinse rijk. Om ongehinderd door wereldse beslommeringen dichter tot God te komen, trokken mensen zich in de woestijn terug. Zij werden heremieten (eremus = woestijn) genoemd, of monniken (monachus = eenling). Sommigen gingen in hun afzondering van de wereld wel erg ver, zoals Simeon Stylites, de pilaarheilige, die zijn hele leven in weer en wind op een zuil bleef zitten. Onder de bevolking waren de monniken bijzonder populair. Dikwijls werd hen om raad gevraagd.
In het westen volgde Benedictus van Nursia (gestorven in 543) aanvankelijk de idealen van het oosterse monnikswezen. Later stichtte hij een gemeenschap voor monniken op de Montecassino in de buurt van Napels. Voor dat klooster (van claudere = sluiten) stelde hij ook een reeks voorschriften op, een zogenaamde kloosterregel. De Benedictijner regel heeft de basis gevormd voor bijna alle latere westerse kloosterregels.


COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

Organisatie van de kerk

De nog altijd hoog gewaardeerde antieke beschaving werd door de Kerk het sterkst vertegenwoordigd. De bisschoppen waren de belangrijkste machthebbers in wat er nog over was van de steden en het grondgebied daar omheen. Het gebied waarover bisschoppen de (geestelijke) leiding hebben heet diocees. Een aantal diocesen samen worden een kerkprovincie genoemd. Aan het hoofd van een kerkprovincie staat een aartsbisschop. De aartsbisschoppen staan weer onder toezicht van de belangrijkste onder de bisschoppen, de patriarch.
West Europa had - en heeft - maar één patriarch, die paus wordt genoemd. Het kleinste kerkelijke district was de parochie. De priester aan het hoofd van een parochie (pastoor), stond het laagst in de rangorde van kerkelijke ambten.


COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

Catacomben

Uit de eerste eeuwen van het christendom maken vooral de catacomben veel indruk. De meeste catacomben zijn te vinden in en rond de stad Rome. Catacomben zijn begraafplaatsen die bestaan uit onderaardse gangen waarin nissen zijn uitgehakt om de doden in bij te zetten. Door de zachte tufstenen bodem ging dat in Rome heel gemakkelijk. De begraafplaatsen waren niet ondergronds vanwege vervolgingen, maar om zo voordelig mogelijk gebruik te kunnen maken van de weinige stukken grond waarover de christenen konden beschikken. Om nieuwe doden bij te zetten groef men steeds diepere gangen, soms in meerdere verdiepingen boven elkaar, zodat er onder Rome een reusachtige doolhof is ontstaan van gangen met een totale lengte van rond de 150 kilometer. De doden lagen grotendeels in eenvoudige grafnissen; maar er zijn ook grafkamers, waarvan de wanden dikwijls zijn beschilderd. Soms zijn de doden bijgezet in rijk gebeeldhouwde, stenen grafkisten (sarcofagen).
Slechts bij hoge uitzondering werden de catacomben gebruikt als schuilplaats of schuilkerk.


COPYRIGHT  2002    BELPAESE.NL     N.JONGENEEL

Kunstwerken

San Clemente
San Clemente, middenschip van de kerk.

San Clemente
San Clemente, ciborium en absismozaïek
---
Het mithraeum onder de San Clemente.

De San Clemente, Rome, 12de eeuw

Na 313 moest er heel wat werk verzet worden omdat er voor de christelijke eredienst en de vergadering van gelovigen nog geen bouwwerken bestonden. Het meest geschikt waren de keizerlijke basilica's uit de heidense tijd. Met een aantal aanpassingen werd het schema daarvan dan ook overgenomen voor de vroeg-christelijke basilica's.
Voordat je de basilica zelf binnen ging, kwam je eerst in een door een zuilengang omgeven voorhof. Deze voorhof werd atrium genoemd, net als de open binnenruimte van een Romeins huis. Vanuit het atrium kwam je in het eigenlijke kerkgebouw, dat door zuilenrijen was verdeeld in een middenschip en twee zijbeuken. Later werd dikwijls aan de achterzijde van de kerk nog een schip toegevoegd dat dwars op het middenschip was gebouwd. Door dat dwarsschip kreeg de kerk de vorm van een kruis. De hele kerk was geordend langs de lengte-as. Helemaal achterin de kerk stond, in een halfronde nis (apsis) de bisschopszetel (cathedra) omringd door zitbanken van de priesters (presbuteroi = oudsten). Alle aanwezigen stonden gekeerd naar de plek waar de bisschop zetelde op zijn stoel. Was er geen bisschop, dan kon alleen een gevolmachtigd priester de vergadering leiden. Vanaf zijn cathedra (ex cathedra) gaf de bisschop commentaar op de Heilige Schrift. De teksten werden voorgelezen vanaf vaste lezenaars (ambonen). Naast een van de lezenaars stond de marmeren luchter voor de paaskaars die werd ontstoken bij het voorlezen van de paaslofzang. Tussen de lezenaars bevond zich een door lage muurtjes omgeven ruimte, de Schola Cantorum, die bestemd was voor het koor. Tussen de Schola Cantorum en de apsis bevond zich het altaar, de plaats waar de bisschop het zegengebed uitsprak waarna hij het brood brak en uitreikte aan de gelovigen. Het altaar was dikwijls overhuifd door een baldakijn (ciborium), die deze plek extra benadrukte. Ook de altaarruimte was weer gescheiden van de rest van de kerk door muurtjes.
De vergaderingen, de schriftlezingen en de preek waren toegankelijk voor iedere belangstellende; gedurende de "dienst van het Woord" bleven de deuren open en kon iedereen die wilde naar binnen gaan en luisteren. Maar na de preek van de bisschop werden de ongedoopten weggezonden. De Eucharistieviering werd gehouden in de besloten kring van gedoopten.
Hoewel de kerk San Clemente zoals we die nu kennen stamt uit de 12de eeuw en strikt genomen niet in dit hoofdstuk thuishoort, hebben we deze kerk toch uitgekozen als voorbeeld van een vroeg-christelijke basilica. Reden daarvoor is dat de 12de eeuwse kerk een tamelijk precieze kopie is van de kerk uit de 4de waarvoor die in de plaats is gekomen, en ons daarom een goed beeld geeft van die veel oudere kerk. Bovendien is het complex zeer interessant vanwege de archeologische opgravingen die zijn gedaan op twee niveaus onder de kerk. Het laagste niveau is het straatniveau uit de Romeinse tijd. Daar heeft men een heiligdom voor de zonnegod Mithras uitgegraven, maar ook de resten van de woning van een zekere Flavius Clemens. In een deel van die woning was een Christelijk bedehuis.
Op dezelfde plaats werd tussen 384 en 399 een kerk gebouwd. Die werd in 1084 door de Noormannen verwoest waarna de huidige kerk ontstond.


Informatie elders op internet




BACK   Pagina precedente                   PRINT Stampa pagina                           HOME Home