Kastelen


Castello di Bardi
Het kasteel van Bardi (Emilia Romagna) wordt al genoemd in een document uit het jaar 898. Natuurlijk zag het kasteel er toen heel anders uit en was het een eenvoudige versterking. Tot aan de 13e eeuw werd het gebied rond het kasteel beheerst door edelen die zich de 'graven van Bardi' noemden. In 1257 kwam het leen in handen van Umberto Landi en in de eeuwen daarna groeide het kasteel uit tot de vesting die het nu is.
*LIJN*

Inleiding

Na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote en het verdwijnen van het Karolingische staatsapparaat in de 9e eeuw, werd het kasteel het belangrijkste middel van zelfverdediging. De onveiligheid was groot door voortdurende conflicten tussen de adellijke heren en de aanvallen van Dalmatische zeerovers, Saracenen, Noormannen en Hongaren. Overal in Europa schoten dan ook de kastelen als paddestoelen uit de grond. Hun aantal moet in West-Europa in de tienduizenden hebben gelopen.

** PLEASE DESCRIBE THIS IMAGE **
Tekening van een ideaal kasteel uit de late middeleeuwen.

Het oudste deel van het kasteel is de bergvrede of donjon (31). Deze is voorzien van kleine spietorentjes (ook wel: arkeltorentjes) op de hoeken. In de donjon kon men zich terugtrekken als de rest van het kasteel al was ingenomen. De ingang van de donjon (30) ligt hoog en is alleen te bereiken via een ladder. Wanneer men zich in de donjon terugtrok, werd die ladder opgehaald. In het onderste deel van de toren was de gevangenis (verlies) met daarboven een angstluik. Van veel kastelen is de donjon het oudste deel. Later werd aan de donjon een luxere zaalbouw (ook wel: palas (4)) toegevoegd met een magazijn op de benedenverdieping en een ridderzaal (2) op de bovenverdieping. In dit voorbeeld is in de gotische tijd nog een tweede zaalbouw aangebouwd (3). Lang niet alle ruimtes waren te verwarmen. De belangrijkste ruimte die van een haard voorzien was wordt kemenade genoemd (van caminus = haard). Natuurlijk was er in de keuken ook een haard. Kleine erkers (5) dienden als toilet en worden privaten of plonspleeŽn genoemd. Tegen de zaalbouw aan is een kleine kapel (6) gebouwd. Op de hoofdburcht waren verder de verblijven van de schildknapen en/of soldaten en de woning van de slotvoogd (29), die bij afwezigheid van de kasteelheer de baas over het kasteel was, en de tiendschuur (28) waar de belastingen in natura (tienden) werden opgeslagen. Een bakhuis (27) diende voornamelijk voor het bakken van brood. Op de binnenplaats van de hoofdburcht was ook de waterput (26). Indien mogelijk reikte die tot het grondwater maar bij hoogteburchten werd ook dikwijls gebruik gemaakt van een verzamelbekken of cistern. De wachten hielden vanuit de wachterstoren (8) de omgeving in de gaten.
Vůůr de hoofdburcht ligt de voorburcht. Op het terrein van de voorburcht was de klasteelboerderij met een koetshuis (23), een voorraadschuur (24) een stal (21) en een werkplaats.
Boven de poort die toegang geeft tot de voorburcht zit een erker, een zogenaamde pekneus, van waaruit men de vijand kon bekogelen. Deze poort is nog extra versterkt met een barbacane, dat is een soort toegangssluis omgeven door weergangen. Wanneer de vijand erin slaagde door de eerste poort naar binnen te komen, kon hij vanaf die weergangen worden beschoten. Het voorste poortgebouw (14) is in ons voorbeeld voorzien van twee poorten: een hoofdpoort (13) en een voetgangerspoortje (12), beide voorzien van een valhek en een ophaalbrug.
De weergang (18) heeft kantelen of tinnen en een borstwering die rust op vooruitstekende steunen (mezekouw of machicoulis). Door de gaten die daardoor ontstonden kon men langs de muur van alles naar beneden gooien om de vijand te verjagen. Een deel van het kasteel wordt omgeven door een extra gordijnmuur (9). Het terrein achter die muur heet dwingel (10). In de gordijnmuur is een halfronde toren voor geschut opgenomen, een zogenaamd rondeel (11). Veel kastelen hadden een geheime vluchtgang die tot ver buiten de muren leidde, en ook vaak een klein uitvalspoortje (19) om de vijand buiten de burcht te kunnen aanvallen.
(c) COPYRIGHT 2004 BELPAESE.NL N.JONGENEEL

Rijksburchten en paltsen

Valkhofkapel Nijmegen
Valkhofkapel, Nijmegen (Nederland). De Palts in Nijmegen werd door Karel de Grote gesticht, in 1047 verwoest, door keizer Frederik Barbarossa herbouwd en in de 18e eeuw gesloopt. De Sint Nicolaaskapel uit de 11e eeuw is nog een restant van die keizerlijke palts.
*LIJN*
Marcellustheater Rome
Het Theater van Marcellus in Rome, een theater uit de Romeinse tijd (links op de foto) werd in de vroege middeleeuwen omgebouwd tot een versterking van de familie Fabi. In het middeleeuwse Rome stonden nog zoveel grote gebouwen leeg dat men niet de moeite nam kastelen te bouwen, maar eenvoudigweg de oude gebouwen hergebruikte.
*LIJN*
San Gimignano
De torens van San Gimignano (Toscane).
*LIJN*
Ferentillo
De twee-eenheid kasteel-borgo is in ItaliŽ meer regel dan uitzondering (Ferentillo, UmbriŽ)
*LIJN*
Bracciano
Dikwijls torent het kasteel hoog boven de stad uit. Dat had niet alleen een strategische functie maar benadrukte ook de macht van de kasteelheer (Bracciano, Lazio).
*LIJN*
De belangrijkste kastelen waren uiteraard die van de koningen en de keizers. In de middeleeuwen bleven die nooit lang op ťťn plaats, maar trokken rond door hun rijk. Zij hadden het recht een beroep te doen op de gastvrijheid van abdijen en sommige daarvan waren speciaal ingericht om hen en hun hofhouding te onvangen. Maar zij bouwden ook zelf kastelen en (stads)paleizen. In Duitsland wordt zo'n paleis aangeduid met het woord naam Pfalz, in het Nederlands vertaald met 'palts'. Dat woord is, net als ons woord 'paleis'afgeleid van Palatinus, de heuvel waar de Romeinse keizers hun paleizen hadden (Lat: palatium). In Nijmegen staan nog de resten van de palts die Karel de Grote had laten bouwen (en Frederik Barbarossa later liet opknappen). In Utrecht bevinden zich in de kelders van huizen bij de domtoren de resten van het keizerlijke paleis Lofen.
In de Staufische tijd bezaten de keizers talrijke kastelen en paltsen: Kaiserslautern, Aken, Tribur, Neurenberg, Weisenburg, Trifels, Goslar, Hohenstaufen, Eger, Altenburg, Ingelheim, Nijmegen, Gelnhausen, Hagenau, om er maar wat te noemen. Ook in het zuiden van ItaliŽ hadden zij vele rijksburchten waarvan Foggia, Lagopesole, Castel del Monte, Catania en Syracuse bekende voorbeelden zijn.

Andere kastelenbouwers

Ook de leenmannen van de koning bouwden hun kastelen (graven, markiezen, hertogen: de leden van de hoge adel - lees in dit verband de uitleg over het feodale stelsel). Deze hoge edelen waren formeel vazal van de koning en hadden ook hun kasteel van hem in leen, maar traden in de praktijk op als zelfstandig landsheer waardoor hun kastelen konden worden beschouwd als de centra van staatjes binnen de staat.
Bisschoppen, ridders, ministerialen, kloostergemeenschappen, religieuze ridderorden en allerlei lokale heren konden versterkingen bouwen als zij daarvoor toestemming kregen van hun heer.
Kastelen waarvan de eigenaar niet op het kasteel woonde werden in beheer gegeven van een burggraaf of kastelein (castellano) die wel het ambt in leen kreeg maar niet de goederen. Strategisch belangrijke burchten hadden vaak een militaire bezetting.
In ItaliŽ werd van alles en nog wat versterkt. Antieke bouwwerken zoals theaters en amfitheaters, stadspoorten en grafmonumenten werden tot burcht omgebouwd; maar ook kerken, bruggen en boerderijen werden van dikke muren en kantelen voorzien. Een typisch Italiaans fenomeen zijn de gevechtstorens die de adellijke heren in de steden oprichtten. Beroemd zijn de torens van San Gimignano in Toscane. Daar staan er nu nog 15 van de 72 die er in de 13e eeuw stonden. Ook andere steden hadden dergelijke torens.

Functie van kastelen

Kastelen werden gebouwd op plaatsen waar ze konden dienen om belangrijke handelsroutes en verkeersknooppunten te beheersen of waar ze een rol konden spelen in de verdediging van een territorium. Talrijke kastelen vinden we bijvoorbeeld langs de randen van Alpen en Apennijnen, in de doorgaande dalen zoals die naar de Brennerpas, langs pelgrimsroutes zoal de beroemde via Francigena van Frankrijk naar Rome, aan de oevers van de meren en langs bevaarbare rivieren.
Toch waren kastelen maar zelden puur militair en strategisch. Een kasteel was ook de woning van een heer en zijn familie en tevens het centrum van een gemeenschap, want bijna altijd vestigden zich in de omgeving van het kasteel boeren en ambachtslieden die mochten profiteren van de bescherming van het kasteel (salvamentum) als zij in ruil daarvoor zorgden voor het onderhoud van de kasteelbewoners. Vaak werden de huizen rond het kasteel op den duur opgenomen binnen de verdedigingswerken van het kasteel. Kastelen groeiden uit tot ommuurde stadjes. Zo ontstonden in ItaliŽ de talrijke borghi of burchtstadjes. Sommige van deze nederzettingen werden op den duur zelfs grote steden.

De burcht was het resultaat van het gemeenschappelijk belang van de boeren en handwerkslieden en de heer (do ut des). Het bouwen van verdedigingswerken voor de boerenbevolking en het ontginnen van het gebied rond de burcht maakt daarom bijna altijd deel uit van de bouwgeschiedenis van een kasteel. Tegen de hellingen rond de burcht werden terrassen aangelegd (terrazzamento) voor de moestuinen, wijngaarden en fruitbomen. Verderop waren de korenvelden, de weides en de bossen. De boeren woonden in dit soort stadjes dus niet meer op de grond die zij bewerkten maar ver daarvandaan in boerendorpen (wel aangeduid met de term agrotowns). Dat zou zo blijven tot in de 20ste eeuw.

Het kasteel als machtscentrum

Behalve verdedigingswerk was het kasteel ook een uitdrukking van rijkdom, macht en heerschappij van de heer. Veel heren verwierven de zogenaamde heerlijke rechten. Zij mochten optreden als plaatsvervanger van de koning en kregen daarmee talrijke rechten en privileges. Dat waren sowieso het recht van justitie (rechtspraak) en politie (wetgeving en bestuur) maar ook tal van andere rechten zoals jacht- en visrecht, windrecht (bezitten van windmolens), stuwrecht (bezitten van watermolens), marktrecht, recht van tol, veer enz. De heer mocht belastingen heffen (meestal in natura, de zgn. tienden) en had de bannus of het banrecht (signoria di banno) wat inhield dat alle mensen binnen een bepaald gebied (de ban) verplicht waren van bijvoorbeeld zijn persen, ovens, dekstier en molens gebruik te maken. Gewoonlijk hield de heer zich bezig met het bestuur van zijn domein, maar wanneer hij ten strijde trok, of op kruistocht ging, of zijn heer hem nodig had voor de strijd, kon het voorkomen dat hij de burcht achterliet, dikwijls onder toezicht van een slotvoogd.

De militaire ondersteuning die een heer in de 13e eeuw in Zuid-ItaliŽ verplicht was aan de koning te leveren bestond uit een contingent gewapende mannen in de verhouding van ťťn ruiter op iedere 20 oncia (27g.) goud die zijn grond per jaar opbracht, waarbij de ruiters in volle wapenrusting moesten verschijnen, elk vergezeld van twee knechten en een schildknaap en met vier paarden, waarvan ťťn gepantserd.

Leven op de burcht

Het leven op de burcht zal niet zo comfortabel geweest zijn als we nu denken. Het was er vochtig, donker en koud. Als in de winter de vensters waren dichtgemaakt met planken (glas werd nog heel weinig toegepast) was het er niet uit te houden van de stank. Slechts een paar vertrekken werden verwarmd en verlicht.
Op de burcht waren altijd veel mensen. Uiteraard de familie van de kasteelheer maar daarnaast ook bedienden, keukenpersoneel en stalknechten. De rijkere heren hadden zelfs een eigen geestelijke in dienst die dagelijks de mis opdroeg in de slotkapel en onderwijs gaf aan de kinderen. Gewoonlijk bood de burcht onderdak aan reizigers: gastvrijheid was een belangrijke deugd. De inrichting was uitermate sober. Alleen rijke heren konden zich versieringen in de vorm van beeldhouwwerk of beschilderingen veroorloven; of wandtapijten die de koude muren enigszins isoleerden.

De ridderschap

Harnas
Een middeleeuws harnas.
*LIJN*
Gradara
De muur rond het borgo en kasteel van Gradara (Marken).
*LIJN*
Kantelen
Kantelen zijn de meest kenmerkende elementen van de middeleeuwse vestingarchitectuur (Montagnana, Veneto).
*LIJN*
Mezekouwen
Mezekouwen dienden voor de verticale verdediging van de muur (Bolsena, Lazio).
*LIJN*
 Castello di Staggia
Donjon en hoektoren. Kasteel van Staggia (Toscane).
*LIJN*
Puntone
Door de hoektorens in een punt te laten uitlopen, werden ze minder kwetsbaar voor geschut.
*LIJN*
Scarpa
De schuinoplopende basis (scarpa) is een kenmerk van de Italiaanse kastelen uit de late middeleeuwen en renaissance.
*LIJN*
Valhek
Valhek in een van de toegangspoorten van de burcht van Vianden (Luxemburg).
*LIJN*
Barbacane
De toegangspoort van het borgo Vigoleno (Emilia Romagna) is met een barbacane verdedigd.
*LIJN*
Gradara
Toegangspoort van het kasteel van Gradara (Marken), met valhek en ophaalbrug.
*LIJN*
Vianden, ridderzaal
De magnifieke ridderzaal van het kasteel van Vianden (Luxemburg).
*LIJN*
Falkenstein
Binnenplaats met waterput. Kasteel Falkenstein, Harz, Duitsland.
*LIJN*
Vianden Burchtkapel
Kapel van de burcht van Vianden (Luxemburg).
*LIJN*
Marksburg
Fresco's in de kapel van de Marksburg (Duitsland).
*LIJN*
Chambord
De kastelen in de renaissance verliezen langzamerhand hun militaire karakter en worden luxe residenties. Toch heeft dit kasteel - van Chambord in Frankrijk - nog veel kenmerken die herinneren aan de middeleeuwse burchten.
*LIJN*
Oorspronkelijk drukte de naam 'ridder' een functie uit, namelijk strijder te paard, en niet een stand (hoewel vele ridders van adellijke geboorte waren). Maar naarmate het aanzien van de ridders toenam, wilden meer edelen ook ridder worden. Ridder werd je echter niet zomaar. Op de leeftijd van een jaar of elf begon de opleiding op de burcht van de heer. Je werd in twee dingen getraind: gevechtstechniek en hoffelijkheid. Na een paar jaar ging je als schildknaap dienen bij de strijdkrachten van de heer. Pas wanneer je volwassen was, voldoende bekwaamheid en moed had getoond, en het geld bijeen had gebracht voor de uitrusting en de kostbare ridderslag, kon je ridder worden. Velen bleven hun leven lang schildknaap omdat ze die hoge kosten niet konden opbrengen. Alleen een behoorlijk paard was al even duur als 10 tot 20 koeien.
Ridders waren goed in plezier maken. De ridderzalen in de burchten werden dikwijls gebruikt voor feesten. Soms werden zelfs aparte feestzalen gebouwd. Minstrelen en troubadours zongen liederen en balladen, jongleurs en acrobaten vermaakten de ridder en zijn gasten met allerlei grappen en kunsten. Verder was de jacht (vooral de valkenjacht) een geliefd tijdverdrijf van de ridders.

Verdedigingswerken

De ringmuur

De ringmuur (fr: courtine) is het eenvoudigste bouwelement van het kasteel. De buitenwanden van de muren werden over het algemeen netjes gemetseld van in blokken gehouwen of ruwe natuursteen. Om een grote muurdikte te bereiken werd, tussen de buitenschalen van de muur, ruimte opengelaten die werd opgevuld met mortel en keien.
Karakteristiek voor de burchten van de Hohenstaufen, vooral uit de 12e eeuw, is de afwerking van de buitenmuren mat zogenaamde Buckelquadern. Dat zijn grote, rechthoekige stenen die aan de buitenzijde bol (it: bugnata) zijn. De reden dat zulke stenen werden gebruikt zal hoofdzakelijk zijn geweest dat het kasteel er een imposanter uiterlijk door kreeg. Maar het was natuurlijk ook gemakkelijker zulke stenen te maken dan glad afgewerkte.
In de muren waren spleten of sleutelgatvormige schietgaten (it: arciere) aangebracht. In de 15e en 16e eeuw werden de schietgaten ook wel omlijst en versierd.
De bovenzijde van de muur was voorzien van kantelen (it: merli). Kantelen zijn opstaande muurdelen, veel dunner dan de rest van muur, waarachter de verdedigers zich konden verschuilen. De kantelen in ItaliŽ zijn rechthoekig en recht van boven (de zgn. Welfische kantelen) of in de vorm van een zwaluwstaart (de zgn. Ghibbellijnse kantelen).
Op de muur werd in tijden van oorlog een houten weergang aangebracht die naar voren kon uitkragen en gaten in de bodem had (hordijs). Die weergang rustte op een constructie van bogen of pijlers of werd gedragen door houten consoles die in de muur waren gestoken. Dikwijls zijn de paalgaten voor deze consoles nog zichtbaar.
In de gotiek werden weergangen een vast onderdeel van het kasteel. De borstwering van de weergang werd gebouwd op rondboogfriesen of (meestal drievoudige) stenen consoles (it: beccatelli). In ItaliŽ staken die ver uit zodat tussen de vloer van de weergang en de borstwering gaten in de vloer zaten waardoor men de vijand kon bestoken. Dat zijn de zgn. mezekouwen (du: Senkscharte; it: caditoie, fr: machicoulis).
Buiten de muren van het eigenlijke kasteel was vaak een tweede verdedigingsgordel (dwingel). De muren daarvan waren minder dik en minder zorgvuldig gebouwd dan die van de hoofdburcht.

Torens

In de muren waren torens opgenomen. Ze bevonden zich meestal op de hoeken of ter plaatse van knikken in de muur. Vaak waren ze halfrond en aan de binnenzijde open, om te voorkomen dat de vijand ze bij een de aanval zou kunnen gebruiken.
De torens zijn, als belangrijkste verdedigingselementen van het kasteel, vaak fraai uitgevoerd. Dat geldt in het bijzonder voor de grote toren (donjon). De donjon was de sterkste toren van het kasteel en diende bij een belegering als laatste toevluchtsoord voor de kasteelbewoners.
Sommigen menen dat het begrip donjon sinds de 19e eeuw ten onrechte wordt gebruikt voor de grote toren omdat het oorspronkelijk sloeg op het totaal aan gebouwen waarin de heer vertoefde. Het zou dus beter zijn de term grote toren te gebruiken (Lat: magna turris; it: torre maestra of torrione; fr: tour maÓtresse of grosse tour). Bovendien had deze grote toren vooral een symbolische functie en diende hij meer voor het uitstralen van macht dan dat hij daadwerkelijk als laatste toevluchtsoord werd gebruikt.
De term donjon (ned: bergvrede; it: mastio; du: bergfried) wordt echter zo algemeen gebruikt dat ook wij dat zullen blijven doen.
De donjon heft in de regel een hooggelegen ingang die alleen via een lader bereikbaar was. In de voet van de donjon bevond zich een ruimte die alleen door een luik in de bovenliggende ruimte toegankelijk was en die als gevangenis kon worden gebruikt. Op de hogere verdiepingen bevonden zich woonruimtes of het verblijf van de wachters.

De torens die in de muren waren opgenomen en de hoektorens dienden als uitkijkpost en voor de verdediging van de flanken van het kasteel. Doordat de torens uitstaken konden de verdedigers de voorzijde van de muur overzien en bereiken met hun pijlen.
De torens van de eerste kastelen waren vierkant of rechthoekig. Later verschenen de ronde en meerhoekige torens. De in een punt uitlopende verdedigingswerken (it: puntoni) deden hun intrede in de 14e eeuw, tegelijk met de eerste muren en torens met bredere en schuin oplopende basis (it: scarpa; du: Abdachung). Deze schuine basis moest ervoor zorgen dat projectielen niet frontaal de muur raakten maar afketsten en ook dat het moeilijker was de muur door ondermijning tot instorten te brengen. Omdat een schuine muur ook makkelijker te beklimmen was, werd op de plek waar het schuine deel in het verticale overgaat een zware lijst (it: redondone) aangebracht. In de gotiek en de renaissance werd dit element veelvuldig toegepast, ook ter decoratie.

De inzet van vuurwapens noodzaakte tot versterking van de afweer. Rond de oude kastelen werden, vanaf de 15e eeuw, fortificaties aangelegd die bestand waren tegen artillerievuur en die ruimte boden aan kanonnen. Wallen en bolwerken veranderden het aanzien van de kastelen volledig. Kasteel Loevestein in Gelderland is een mooi Nederlands voorbeeld van hoe een middeleeuws kasteel is opgenomen in latere fortificaties.

Erkers en arkeltorentjes waren voor de verdediging van ondergeschikt belang maar voor het romantische uiterlijk van de kastelen des te meer. De gesloten erkers die op consoles uit de muur steken zijn gewoonlijk privaten (toiletten) of pekneuzen (om de vijand te bekogelen). Pas later maakten erkers deel uit van woonvertrekken. Arkeltorens konden dienst doen als uitkijkpost maar werden dikwijls alleen aangebracht om het kasteel mooier te maken.

De poort

Naast de muren en torens speelde de poort een belangrijke rol in de verdediging van het kasteel. Omdat iedereen de poort passeerde was het een onderdeel dat dikwijls fraai was uitgewerkt. De burchtheer liet boven de poort zijn wapen aanbrengen als groet voor vriend en vijand. Bij de poort was meestal een vertrek voor de poortwachter. Veel kastelen hadden niet ťťn maar verscheidene poorten. Vesting Hochosterwitz in Oostenrijk heeft er 14. Voor de vijand was elke poort een grote hindernis.
De burchtpoort was in zijn eenvoudigste vorm een opening in de muur met daarboven een ronde of spitse boog. De poort was zo groot dat er een paard en wagen doorheen kon. Dikwijls was naast de grote poort, die alleen wagenwijd open ging als dat echt noodzakelijk was, een klein voetgangerspoortje.
Rond het kasteel was een gracht, al dan niet gevuld met water. De poorten waren alleen te bereiken via een ophaalbrug die werd opgehaald zodra er gevaar dreigde. Wie toch de poort wist te bereiken, werd tegengehouden door een de zware deurvleugels van de poort en een ijzeren valhek dat, geleid door sleuven, in de poortopening kon worden neergelaten.
De poort kon in een toren zijn geplaatst (poorttoren) of geflankeerd worden door torens. De versterking van de poort door de uitbreiding met een ommuurde toegangsweg (barbacane) werd in de 15e eeuw veel toegepast.

De woonvormen

Het kasteel had niet alleen een militaire en defensieve functie, maar was ook de woning van de kasteelheer, zijn familie en van bedienden, knechten en militairen. Kastelen van belangrijke territoriale heren fungeerden bovendien als juridisch, administratief en representatief centrum. Deze heren moesten in hun kastelen hoge gasten kunnen ontvangen en bijeenkomsten van uiteenlopende aard kunnen organiseren. Daarvoor diende de zaalbouw (D: palas, it: palazzo). Daarin bevond zich een grote, representatieve zaal die de ridderzaal genoemd wordt. De ridderzaal was de plaats van vergaderingen en van drinkgelach. Hier onthaalde de burchtheer zijn gasten. Hier werden feesten gehouden en de dames bezongen door minnesšnger en troubadours. De zaalbouw is meestal rechthoekig, heeft een grote kelderverdieping en ťťn of twee verdiepingen waarvan er ťťn het hele oppervlak van het gebouw besloeg en als ridderzaal dienstdeed. In de romaanse tijd hadden de ridderzalen balkenplafonds met eventueel pijlers of zuilen in het midden. In de gotiek worden veel ridderzalen overwelfd. De andere ruimtes in de zaalbouw hebben een representatief woonkarakter dat door de aanwezigheid van grote haarden wordt versterkt.
De zaalbouw kon permanent worden bewoond maar dikwijls was er bij de zaalbouw een kleinere woning van de burchtheer en zijn familie. Zo'n woning, of de verwarmde zaal in die woning, wordt kemenade genoemd. Dat woord is afgeleid van camina, wat haard betekent.

De woningen van het personeel waren eenvoudig en gebouwd van weinig duurzaam materiaal, dikwijls in vakwerk. Vel personeel woonde niet op de kernburcht, maar op de voorburcht, waar de meeste bedrijvigheid was.

De waterput was voor de burcht van levensbelang. Daarom was die vaak in een afgesloten ruimte ondergebracht. Het water was afkomstig uit onderaardse bronnen of het was grondwater. Als zulk water niet bereikbaar was, werd regenwater in een verzamelbekken (cistern) opgespaard.

De binnenplaatsen van kastelen zijn vaak erg schilderachtig, vooral als gevolg van de organische ontwikkeling van de omliggende gebouwen. In ItaliŽ zijn de binnenplaatsen van gebouwen vaak van galerijen voorzien.

De woontoren

Geheel afwijkend van het hierboven beschreven schema, donjon - zaalbouw - woongebouw, is het type van de woontoren. De woontoren is alles in ťťn. Een mooi voorbeeld is het kasteel van de Zwitserse stad Thun.

De kapel

De mooist uitgevoerde delen van de burcht zijn de ridderzaal en de kapel. De eerste ter meerdere glorie van de kasteelheer en zijn vrouwe, de tweede voor de Heer in de hemel en de Hemelse Vrouwe.
Bij kleine kastelen was de kapel niet meer dan een nis of erker waar een altaar in stond. Bij grotere kastelen was het een aparte ruimte en soms zelfs een apart gebouw.
Als ideaalbeeld voor de burchtkapel gold de ronde of veelhoekige kapel in twee etages, naar het voorbeeld van de Paltskapel in Aken, die weer was geÔnspireerd op de San Vitale in Ravenna. De centraalbouw verwijst symbolisch naar de aarde in de vorm van het grondvlak, en naar de hemel in de vorm van het gewelf. Bij een dubbelkapel werd de bovenverdieping gebruikt door de heer en zijn gevolg en werd de was de benedenverdieping bestemd voor gewone mensen. Mooie dubbelkapellen zijn te vinden in Goslar, Nijmegen, Hagenau, Neurenberg, Eger en Vianden.
In ItaliŽ komen ook dubbelkapellen voor, al zijn ze minder klassiek van opbouw dan die in het noorden. Een mooi voorbeeld is de kapel van kasteel Tirol bij Meran.

De beschreven onderdelen van de burcht zijn aanwezig bij veel kastelen waarvan de oudste delen dateren uit de romaanse tijd of eerder. Toch zijn ze lang niet altijd meer te herkennen doordat er aan de kastelen voortduren werd gebouwd en verbouwd. De kastelen die nieuw werden gebouwd in de late gotiek of renaissance voldoen vaak helemaal niet meer aan dit schema. Een rationele, symmetrische aanleg werd toen gebruikelijk. Toch werden, uit esthetische of nostalgische overwegingen, veel elementen uit de middeleeuwse vestingbouw tot ver in de renaissance toegepast.
© COPYRIGHT 2004 BELPAESE.NL N.JONGENEEL



BACK   Pagina precedente                   PRINT Stampa pagina                           HOME Home
Google
web www.belpaese.nl