Politiek, bestuur en corruptie


Politiek en bestuur

In een volksraadpleging in 1946 stemden 12,7 miljoen Italianen voor de republiek. De Grondwet van de Italiaanse Republiek werd van kracht op 1 januari 1948. Een Constitutioneel Hof ziet toe op naleving van de bepalingen. De Grondwet sluit enige verandering van de republikeinse staatsvorm bij voorbaat uit en elke wijziging anderszins is met opzet moeilijk gemaakt om niet-democratische regeringen geen kans te geven. Volgens de Grondwet is de president van de Republiek staatshoofd. Hij bekleedt deze functie voor een termijn van 7 jaar en wordt gekozen door een kiescollege dat bestaat uit de leden van beide kamers van het parlement en 58 regionale afgevaardigden. De wetgevende macht berust bij het parlement, waarvan de leden voor 5 jaar worden gekozen. Tot 1994 gebeurde dat volgens het systeem van evenredige vertegenwoordiging, na 1994 volgens een gemengd systeem van evenredige vertegenwoordiging en districtenstelsel. De Senaat telt 315 leden en 7 leden voor het leven. De Kamer van Afgevaardigden heeft 630 leden. De uitvoerende macht is in handen van de ministerraad met aan het hoofd de premier.


Partitocrazia

Tot het begin van de jaren '90 hielden de grote partijen - met de sinds 1948 regerende Democrazia Cristiana voorop - zich nauwelijks bezig met het besturen van het land door middel van het parlement en de ministers. Het staatsapparaat waarvan de voornaamste representanten f in een interne machtsstrijd of in een schandaal verwikkeld waren en dat maar zelden bij machte was eendrachtig en krachtdadig op te treden, genoot geen enkel vertrouwen en had geen enkel gezag. Toch hadden de partijen de touwtjes stevig in handen, ze oefenden hun macht niet uit via het parlement maar via hun eigen geledingen in de door en door verzuilde maatschappij. Italië was geen Democrazia maar een Partitocrazia. Door iedereen aan zich te verplichten die macht en invloed had, legaal of illegaal, hebben de partijen hun macht geconsolideerd. Ze hadden alles onder controle, banken, staatsbedrijven, gezondheidszorg, media, alles. De chaos werd door hen niet opgelost maar uitgebuit en gemanipuleerd.

Nando della Chiesa, zoon van een door de Mafia vermoorde generaal omschreef het zo: "Dit is geen echte democratie. Het heeft het uiterlijk van een democratie, maar er is een soort grote vrijhaven die niemand controleert, en waarin alle criminele bendes bescherming kunnen vinden tegen zwaar weer. In die haven is van alles binnengelopen: de geheime diensten die helpen bij de bloedbaden, de P-2, de mafia, de camorra, de financiële criminelen - ze hebben er allemaal bescherming gevonden."


Aldo Moro

Zo werd Aldo Moro op 9 mei dood aangetroffen.

Een zeer dramatische episode uit de na-oorlogse geschiedenis van Italië is de ontvoering van en de moord op Aldo Moro, de voorzitter van de Democrazia Cristiana, in 1978. Hij werd door de Rode Brigades 55 dagen lang gegijzeld. Volledig in de steek gelaten door zijn eigen partij, die altijd tot compromissen bereid was maar toen niet wilde onderhandelen, werd hij vervolgens vermoord.

Aldo Moro had in 1976 toenadering gezocht tot de communisten. Niet om hen op te nemen in het kabinet maar om hun invloed te geven op het regeringsprogramma en de uitwerking daarvan. De mogelijke samenwerking tussen communisten en christen-democraten werd het historisch compromis genoemd. Toen hij werd ontvoerd stond Moro op het punt om als architect op te treden van een kabinet waarin ook communisten zitting zouden hebben.

Wanneer je de halsstarrigheid en het inefficinte optreden van de overheid, de fouten en de feiten achteraf bekijkt, dan kun je niet anders concluderen dan dat er binnen de christen-democratische partij lieden rondliepen die Moro met zijn historisch compromis liever niet zagen terugkeren.


De Italiaanse revolutie

Met een gemiddelde van meer dan één regering per jaar was de Italiaanse Republiek een uitzonderlijk instabiel land in politiek opzicht. Geen van de politieke partijen slaagde er ooit in een absolute meerderheid te behalen met het gevolg dat er altijd coalities moesten worden gevormd. Doordat de communisten stelselmatig buiten de regering werden gehouden, bestonden die coalities altijd uit de machtige Democrazia Cristiana en een aantal kleinere partijen. Het regeerakkoord was een compromis tussen de programma's van de verschillende coalitiepartijen. Doordat zoveel partijen het er mee eens moesten zijn, was het regeerakkoord altijd oppervlakkig. Veranderingen konden pas tot stand gebracht worden na moeizame en langdurige onderhandelingen tussen de D.C. en haar coalitiepartners. De regeringen waren daardoor weinig slagvaardig. Wanneer er iets gebeurde tegen de zin van een der coalitiepartners, dan zegde deze zijn medewerking op en het kabinet viel. Dit gebeurde gemiddeld eens in de elf maanden. Er werd dan na weken of maanden onderhandelen een nieuw regeerakkoord gesloten. Oude ministers bestegen nieuwe posten, de kaarten waren geschud maar het spel ging onveranderd voort.

In de maatschappij en de publieke opinie nam het verzet tegen het partijensysteem toe. Velen wachtten ongeduldig op politieke hervormingen die het land moesten bevrijden van mafia, corruptie, de onderontwikkeling van het zuiden, een niet-werkende dienstensector en al die andere plagen. "Er zullen zich heel harde botsingen voordoen bij de opbouw van een wettige macht", voorspelde Nando della Chiesa begin jaren '90, "maar tenslotte zal dit regime historisch en moreel worden veroordeeld."

De eerste jaren van de jaren '90 stonden in het teken van de strijd tussen nieuw en oud, tussen hervormers en de bonzen van de nomenklatura. De laatsten hebben het zwaar te verduren gekregen door de hevige kritiek van de Italianen op het partijpolitieke systeem dat van de partijen dievenbenden heeft gemaakt, en doordat een groot aantal van hen ook werkelijk is ontmaskerd als crimineel en mafioso.

Italië wilde gerechtigheid, de burgers waren woedend en wilden de boeven hebben waar ze horen: in carcere - de gevangenis. Ze scandeerden ladri, ladri.. - dieven - en gooiden muntjes -judaspenningen - naar politici.

De veranderingen waren zo groot en gingen zo snel dat wel gesproken werd van een Italiaanse Revolutie. De helden van deze revolutie waren een aantal Noord-Italiaanse rechters.

Mani Pulite

Mani Pulite - Schone Handen - is de tot een beweging uitgegroeide actie die de rechterlijke macht is gaan ondernemen tegen corruptie van politici en ondernemers. Feitelijk is er niets nieuws onder de Italiaanse zon. Alles wat de laatste tien jaar "aan het licht is gekomen" was al lang bij iedereen bekend. Alleen was het onverstandig en zinloos er iets tegen te ondernemen. Dat de publieke geheimen toch werden onthuld is te danken aan een aantal dappere rechters en politici, die eindelijk rechtvaardigheid wilden en zich gesteund wisten door een brede stroming van protest in de Italiaanse samenleving.

De Italianen raakten ervan doordrongen dat het land langzamerhand naar de knoppen ging. Het geld was op, de lire kelderde, de werkloosheid nam schrikbarend toe en Italië schoot op alle fronten tekort om aansluiting te vinden bij `Europa'.

Rechter Antonio Di Pietro uit Milaan was een van de eersten die het opnamen tegen de machtige corrupte politici, aanvankelijk op lokaal niveau. In februari 1992 werd een Milanees raadslid gearresteerd wegens het aannemen van 8 miljoen euro (18 miljoen gulden) aan steekpenningen. Binnen enkele maanden waren er 60 arrestaties.

Iedereen moest bij openbare werken smeergeld betalen aan politici, rond de 10% van het door de overheid bestede bedrag. Zo vloeide overheidsgeld rechtstreeks terug in de zakken van de politici die het vervolgens gebruikten voor zichzelf, hun familie, of -in het gunstigste geval- om de partijkas mee te spekken. De prijzen van de aannemers waren daarom hoog; ze moesten er zelf ook nog wat aan over houden. Concurrentie werd dikwijls vermeden door onderlinge prijsafspraken (de streng verboden kartel-vorming).

Op een congres van Italiaanse bouwbedrijven werd in mei '92 onthuld dat in het systeem van onderaanbestedingen jaarlijks ook nog eens een bedrag van 5,4 miljard euro (12 miljard gulden) aan smeergeld omgaat.

Toen de geest eenmaal uit de fles was, was de stroom onthullingen niet meer te stuiten. In Reggio di Calabria werd de halve gemeenteraad aangehouden, overal elders in Italië werden lokale en regionale politici gearresteerd, maar ook hooggeplaatste functionarissen van privé-ondernemingen en staatsbedrijven. Velen van hen zijn gaan praten en hebben inzicht gegeven in de enorme omvang van illegale geldstromen. Zo gaven in 1993 Gianni Agnelli (president van Fiat) en de Benedetti (president van Olivetti) een volledig overzicht van de smeergeldbetalingen van hun bedrijven.

Anderen werd de spanning en de schande te groot, zij hielden de `eer' aan zichzelf en pleegden zelfmoord. Spraakmakend waren de zelfmoorden van de hoofdrolspelers in de ENIMONT-affaire Gabrielle Cagliari (president van staatsholding ENI) en van Raul Gardini (ex-topman Feruzzi), beide in juli 1993. Deze zelfmoorden werkten in het nadeel van de rechters van Mani Pulite omdat de overledenen de sympathie van het publiek hadden genoten en er werd gesuggereerd dat ze door Mani Pulite de dood in waren gejaagd.

Eind '92 voelden de rechters zich sterk genoeg om de echte grote jongens aan te pakken, de topfiguren van het oude regime, zoals de leiders Caf (Craxi, Andreotti en Forlani in één woord genoemd).

Bettino Craxi, ex-leider van de Socialistische partij, is inmiddels bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8? jaar. Hij is er van beschuldigd steekpenningen met een totale waarde van 5,4 miljoen euro (12 miljoen gulden), afkomstig van Roberto Calvi, directeur van de noodlijdende Banco Ambrosiano, te hebben aanvaard. Hoewel dit het enige is waarvoor hij is veroordeeld, werd hij ervan verdacht betrokken te zijn bij een veertigtal smeergeldzaken waarbij totaal zo'n 20 miljoen euro (45 miljoen gulden) aan de socialistische partij is betaald.

"We hebben allemaal steekpenningen aangenomen voor onze partij", zei Craxi nog. "Allemaal een boef, niemand een boef", was inderdaad een gedachtegang die in Italië algemeen werd aanvaard; maar die tijden zijn voorbij. Tegen de helft van de bestuursleden van Craxi's socialistische partij is een justitieel onderzoek ingesteld. En de partij is omgedoopt tot Nieuwe Socialistische Partij. Hoe de Italianen over de socialisten dachten blijkt uit het volgende grapje:

"Waarom houden socialisten zo van sportwagens?"
"Die hebben een klein stuur: dan kunnen ze rijden met handboeien om"

Andreotti, senator voor het leven.

Door toedoen van de leider van de Operatie Schone Handen, de Milanese hoofdprocureur Francesco Saverio Borrelli, werden in april 1993 Giulio Andreotti (Christendemocratisch senator, drieënderdigvoudig ex-minister en zevenvoudig ex-premier) en Arnaldo Forlani (ex-premier en ex-partijvoorzitter van de Democrazia Cristiana) aangeklaagd.

Vanaf januari 1993 beperkten zich de rechters van de Mani Pulite niet alleen meer tot Tangenti - smeergeldaffaires, ook de banden tussen politici en mafia werden onderwerp van onderzoek. Volgens mafia-spijtoptanten (pentiti) heeft Andreotti ontmoetingen gehad met top-mafiosi. Andreotti werd hiervoor uiteindelijk niet veroordeeld omdat er onvoldoende bewijs voor werd gevonden.

In 2001 nam Antonio di Pietro met een eigen lijst Italia Valori deel aan de verkiezingen. Hij behaalde 3 kamerzetels

Berlusconi en Mani Pulite

Ongeveer even populair als Antonio Di Pietro was Silvio Berlusconi, eigenaar van onder meer AC Milan en drie televisiezenders. Toen Berlusconi in 1994 de politiek inging, heeft hij nog gevraagd of Di Pietro minister wilde worden, maar Di Pietro weigerde dat. Di Pietro gaf er de voorkeur aan scheidsrechter te blijven en daarbij kwam het al gauw tot confrontaties met Berlusconi en zijn regering. Later komen we daarop nog terug.

De voortdurende politieke tegenwerking van Berlusconi is voor Di Pietro aanleiding geweest zijn werkzaamheden neer te leggen. Sindsdien heeft de regering Berlusconi geprobeerd de vijand met zijn eigen wapens te verslaan en is er een justitieel onderzoek geopend tegen Di Pietro. Hij wordt ervan beschuldigd documenten te hebben achtergehouden in het proces tegen de top van het staatsbedrijf Enimont.

In oktober 1994 probeerde de regering Berlusconi de hele groep van Mani Pulite te ontbinden maar daar werd een stokje voor gestoken door president Scalfaro.


De Presidenten

Van 1985 tot april 1992 was Francesco Cossiga president. Belangrijke verdienste van Cossiga is dat hij het land rijp heeft gemaakt voor verandering door zelf voortdurend kritiek te leveren op het oude regime, op het compleet vastgeroeste politieke systeem. Hij kreeg de bijnaam Il Picconatore - de man met de pikhouweel - vanwege de verwoestende slagen die hij de oude generatie politici toediende. Vlak na de parlementsverkiezingen van april 1992 trad president Cossiga vrijwillig af. Cossiga vond dat hij teveel vijanden had gemaakt en teveel geïsoleerd was geraakt om daadkrachtig leiding te kunnen geven aan een kabinetsformatie.

Na een groot aantal rondes werd op 25 mei 1992 Oscar Luigi Scalfaro tot president gekozen. Scalfaro werd ondanks zijn beperkte constitutionele macht de grote regisseur van de Italiaanse politiek. Scalfaro vormde voor Berlusconi het belangrijkste obstakel om zijn persoonlijke wil tot wet te maken. Zonder Scalfaro zou Berlusconi zijn macht veel verder hebben uitgebreid.

In mei 1999 werd Carlo Azeglio Ciampi president.


De politieke partijen: PCI - PDS

In de turbulente jaren '90 verdwenen politieke partijen, kwamen er andere voor in de plaats, en veranderden weer andere slechts van naam. De belangrijkste partijen van het oude en nieuwe regime zullen we hierna kort belichten.

De PCI, de Partita Communista Italiana, die in 1989 werd omgedoopt tot de Partito Democratico della Sinistra, is de grootste (ex) communistische partij van West-Europa. Na de tweede wereldoorlog is zij ook steeds de op één na grootste partij van het land geweest. Aanvankelijk was de partij orthodox stalinistisch maar in de jaren zeventig en tachtig is zij steeds verder opgeschoven naar het centrum en steeds meer afstand gaan nemen van Moskou. Toen zij had ingezien dat het democratisch staatsbestel toch niet altijd samen hoefde te gaan met kapitalistische en imperialistische uitbuiting, verklaarde zij er zich in de jaren zeventig voorstander van. Toen later duidelijk werd dat de Italiaanse arbeidersklasse de hulp van de communisten in de strijd tegen het grootkapitaal niet meer zo had nodig had, ging zij zich inzetten voor minderheden en het milieu. Mét de landen in Oost-Europa nam ook de PCI tenslotte afscheid van haar communistische verleden, de naam werd in 1991 veranderd en het symbool van de hamer en de sikkel werd vervangen door een boom. De meest linkse vleugel van de PCI bleef bestaan als `communistische herstichting', een partij tegen elke vorm van liberalisering en privatisering.

De partij heeft van 1948 tot 1999 voortdurend in de oppositie gezeten, maar op gemeentelijk niveau heeft zij zich wel een sterke positie weten te verwerven. Doordat de PCI maar zelden betrokken is geweest bij schandalen heeft zij een reputatie van onkreukbaarheid opgebouwd. De (ex-)communisten draaien voor een belangrijk deel op vrijwilligerswerk, op bijdragen van de leden en op de inkomsten uit de Feste dell'Unità die gedurende de zomermaanden in heel Italië worden georganiseerd.

Toen bleek dat ook leidende PDS-figuren zich hadden schuldig gemaakt aan corruptiepraktijken besloot de toenmalige partijleider Achille Occhetto tot een tweede herstichting, in mei 1992. De partij zou zich ontdoen van honderden bureaucraten en in plaats daarvan nog meer vrijwilligers inschakelen. Ze zou zich omvormen tot een soepele beweging en zich terugtrekken uit alle bestuursfuncties van overheidslichamen.

De nieuwe secretaris van de PDS werd Massimo D'Alema. In 1999 werd D'Alema premier.

Democrazia Cristiana (Christendemocraten)

Van de Democrazia Cristiana bleef na de verkiezingen van 1994 niets meer over. De partij viel uiteen in zes splinterpartijtjes (PPI, CDU, UDR, CCD, CDR en CDL). Deze hebben toch veel macht omdat hun steun noodzakelijk is voor het behalen van een kamermeerderheid. De rechtse Polo per la Libertà of Casa delle Libertà (`Vrijheidscoalitie') en de linkse Olivo (`Olijfcoalitie') zijn namelijk bijna even groot. In 1998 kon de regering van de ex-communist D'Alema aan het werk dankzij de steun van de Unione della Repubblica (UDR) van ex-christendemocraat Francesco Gossiga, de vroegere communistenhater.

MSI - Alleanza Nazionale

Van oudsher voerden de fascisten van de MSI (Movimento Sociale Italiano) een felle strijd tegen corruptie en mafia. Wegens haar sympathie voor het fascisme van Mussolini, waartegen afgevaardigden van andere partijen soms nog persoonlijk hebben gestreden, en haar banden met extremistische en gewelddadige jeugdbewegingen werd de partij door alle andere verafschuwd. Als er in het parlement gevochten werd, was dat meestal als reactie op het provocerende gedrag van de missini. Toch werd dat gedrag door het publiek gezien als een rechtstreeks verzet tegen de gevestigde politiek. Gianfranco Fini, de leider van deze partij, heeft de laatste jaren erg zijn best gedaan de aandacht af te leiden van het fascistische verleden van deze partij en van de groepen racistische `Nazi-Skins' van wie hij ook op sympathie kan rekenen. Fini zelf maakt een redelijk beschaafde indruk waardoor de weerzin om rechts te stemmen bij veel kiezers aan het verdwijnen is.

In januari 1995 werd de MSI omgevormd tot de Alleanza Nazionale (Nationale Alliantie): een coalitie van alle rechtse partijen rond de MSI-nieuwe stijl. De `Nazi-Skins' hebben onderdak gevonden bij de Movimento Italiana Fiamma van Pino Ranti. De MSI maakt sinds 1994 deel uit van de rechtse vrijheids-alliantie Polo per la Libertà.

Lega Nord

De Lega Nord roept de roerige 12de eeuw in herinnering, toen de steden van Lombardije zich aaneensloten in de Lombardische Liga in hun verzet tegen de vreemde overheerser Frederik Barbarossa.

De huidige Lega-leider Umberto Bossi trekt tierend (en nog net niet met getrokken zwaard zoals zijn 12e eeuwse voorbeeld Alberto da Giussano, die ook het logo siert) ten strijde tegen de vreemde overheerser Rome, die alleen het belastinggeld int en daar nooit iets voor terug doet. De Lega Nord streeft naar een federale staat met de grootst mogelijke politieke en economische zelfstandigheid van Noord-Italië. Verder heeft de partij geen duidelijk politiek programma en al evenmin capabele politici om nieuw verworven posten te bemannen; een serieus probleem want bij de gemeenteraadsverkiezingen van december '92 kreeg de partij in veel Noord-Italiaanse steden plotseling 20-40% van de stemmen. De Lega is vooralsnog een etnisch-regionale beweging, met alle gevaren van dien.

Om in `94 in de regering te komen sloot Liga-leider Bossi een monsterverbond met Berlusconi. Samen met Forza Italia en de neo-fascisten van de Alleanza Nazionale vormden ze het kabinet Berlusconi. Al vlug kwamen Berlusconi en Bossi erachter dat ze eigenlijk niet konden samenwerken, maar het duurde toch nog zeven manden voor Bossi Berlusconi de bons gaf.

Dit betekende voor Berlusconi de val van zijn kabinet want hij verloor de meerderheid in de kamer. Voor Bossi betekende het een isolement, want nu was er geen enkele partner meer te vinden die met hem de verkiezingen van 1996 in wilde gaan. Bovendien heeft hij door in het parlement te dreigen met de afscheiding van Noord-Italië de partij nog verder geïsoleerd.

Nogal lachwekkend was het optreden van Bossi in september 1996 waarbij hij, na een driedaags ritueel op en rond de rivier de Po, in Venetië de republiek Padania uitriep.

La Rete

Veel kleiner is de radicale anti-mafia-partij La Rete, opgericht door de ex-burgemeester van Palermo Leoluca Orlando. Orlando, zelf christendemocraat, werd destijds door de christendemocraten uit Palermo weggewerkt omdat hij bleef hameren op de banden tussen overheid en Mafia, en dat doet hij nog steeds, gesteund door de eerder genoemde Nando della Chiesa. Orlando noemde Andreotti al lang voor diens dagvaarding "de leider van de verliezende mafia-clan". La Rete is een regionale Siciliaanse partij. In de steden van Zuid-Italië behaalde zij 5-10% van de stemmen, maar de partij trekt

ook protest-stemmen uit de rest van Italië, vooral van mensen die de Lega niet als alternatief zien. Bij de laatste burgemeestersverkiezingen is Orlando weer tot burgemeester van Palermo gekozen. Bij de verkiezingen van 2001 deed La Rete niet meer mee.

Patto Segni

Mario Segni begon zijn protestbeweging binnen de Democrazia Cristiana in het najaar van 1992. Zijn doel was de partij radicaal te hervormen om daardoor weer het vertrouwen te kunnen winnen van de miljoenen ontheemde kiezers die niet meer geloofden in de oude partijen, maar die ook niets voelden voor het rauwe protest van de Lega Nord. De oude politici omschreef hij als "een politieke klasse zonder scrupules die er alleen maar aan heeft gedacht de machtscentra te bezetten en de bankrekening te doen groeien". In maart 1993 stapte Segni uit de Christen-Democratische partij.

Mario Segni heeft steeds gepleit voor een referendum waarin de Italianen zich zouden moeten uitspreken voor een verandering van het kiesstelsel. Een kiesstelsel dat de kiezer meer invloed moest geven en dat moest voorkomen dat politici stemmen konden blijven kopen.

Tot 1994 had Italië een systeem van evenredige vertegenwoordiging en een lage kiesdrempel waardoor tal van kleine partijen in het parlement vertegenwoordigd waren. Geen van de partijen had ooit een absolute meerderheid en coalities bestonden doorgaans uit vier of vijf partijen waardoor het regeringsbeleid er een was van slappe compromissen: de ministers dreigden aan de lopende band met opstappen als ze hun zin niet kregen. Het door Segni voorgestelde districtenstelsel leidt tot maar één overwinnaar per district en dus tot veel minder partijen en dientengevolge tot veel stevigere coalities.

Segni kreeg zijn zin. Er kwam een referendum, op 18 en 19 april 1993. Zoals te verwachten viel, stemde men massaal voor verandering van de kieswet (81,8%).

Het idee dat het districtenstelsel veel verbetering zou opleveren is inmiddels achterhaald, maar het signaal was duidelijk: men wilde verandering.

Eind 1993 besloot Segni een middenpartij te vormen onder de naam Patto Segni. Hij zou er zeker in zijn geslaagd een fors aantal van de oude Democrazia Cristiana-stemmers voor zich te winnen als de toentertijd immens populaire Silvio Berlusconi geen roet in het eten had gegooid door ook aan de verkiezingen te gaan deelnemen.
Bij de verkiezingen van 2001 deed de Patto Segni niet meer mee.


Forza Italia

Berlusconi's imperium

Silvio Berlusconi is een van de meest succesvolle zakenlieden van Italië. Zijn investeringsmaatschappij Fininvest is gegroeid tot een imperium met 27.000 vaste medewerkers en een omzet van bijna 13 miljard gulden in 1992. Hieronder volgen de acht divisies van Fininvest met hun voornaamste activiteiten:

Film en amusement: Voetbalclub AC Milan en filmproductiebedrijven zoals Cinéma 5.
Televisie: De commerciële stations Canale 5, Rete 4, Italia 1, het Franse La Cinq en het Duitse Telefünf.
Verzekeringen: Met onder meer de shirtsponsor van AC Milan
Onroerend goed: Onder meer twee complete Milanese woonwijken, Milano 2 en Milano 3, in de jaren '60 door Berlusconi gebouwd en nog steeds zijn eigendom.
Detailhandel: Onder meer warenhuis- en supermarktketen Standa
Reclame: Publitalia, een van Europa's grootste reclamebedrijven.
Uitgeverijen: Mondadori
Service

Daar staat tegenover dat in 1994 de totale schuldenlast van het concern op 2,5 miljard euro (5,5 miljard gulden) werd geschat. Reden genoeg voor Silvio om zich zorgen te maken.

Silvio Berlusconi. (Foto: imagoeconomia).

Waarom Berlusconi de politiek in ging?

De burgemeestersverkiezingen in november 1993 maakten de politieke aardverschuiving die zich aan het voltrekken was goed zichtbaar. Het politieke midden was volledig weggevaagd. Bijna in alle steden waar verkiezingen waren, eindigden deze in een nek-aan-nek-race tussen kandidaten van de rechtse MSI (Neo-fascisten) of de Lega Nord aan de ene kant en de linkse partijen aan de andere kant. Opmerkelijk was de kandidatuur van Allessandra Mussolini, de kleindochter van Benito Mussolini. De neo-fascisten maakten er toen (nog) geen geheim van de Duce zeer te bewonderen. Uiteindelijk wonnen in de meeste steden de linkse kandidaten. (Extreem) rechts haalde het niet, maar de overwinning van links was maar heel krap.

De linkse overwinning bij de burgemeestersverkiezingen was voor Silvio Berlusconi de belangrijkste reden zich met de politiek te gaan bemoeien. Voor de verkiezingen had hij al openlijk zijn steun betuigd aan de fascistische kandidaat voor Rome, Gianfranco Fini.

De angst die Berlusconi de politiek heeft ingedreven is dezelfde die er tientallen jaren voor heeft gezorgd dat de (ex-)communisten geen regeringsverantwoordelijkheid kregen: de angst dat de (ex-)communisten de economische vrijheid aan banden zouden leggen. Deze vijanden van het particulier ondernemerschap zouden wel eens maatregelen kunnen nemen tegen Berlusconi's televisiemacht. Vijanden van Berlusconi beweren daarom dat Berlusconi's politieke avontuur vooral bedoeld is zijn eigen zakenimperium uit te breiden en uit de schulden te halen.

Dat Berlusconi altijd al tegen de communisten heeft gestreden blijkt uit zijn lidmaatschap in de jaren `80 van de vrijmetselaarsloge Propaganda Due. Het is een publiek geheim dat dit genootschap, dat was opgericht als machtig bolwerk tegen het communisme, betrokken is geweest bij verschillende ongerichte bomaanslagen en banden had met de mafia.

Forza Italia, een T.V.-partij

In de winter van 1993-1994 besloot deze mediamagnaat Silvio Berlusconi - de Joop van der Ende van Italië maar vele malen machtiger - om in de politiek te gaan.

De macht van Berlusconi via zijn concern Fininvest was al zeer groot want hij had zo'n beetje de halve mediamarkt van het land in handen, en wie de media heeft, heeft de macht. Berlusconi kon via zijn eigen kranten, actualiteitenrubrieken en journaals de Italianen dus van alles wijsmaken, ook dat hij de redder van Italië was. Marcello Dell'Utri, directeur van Berlusconi's reclamebedrijf, zorgde voor een daverende campagne. Een programma was er niet, behalve de afkeer van links en de paradijselijke beloften van de leider, die via zijn T.V.-zenders optimisme en hoop uitstraalde.

Berlusconi noemde zijn partij `Hup Italië' (Forza Italia). Forza Italia werd bij de verkiezingen van maart 1994 in een klap de grootste partij en na tijdelijk te zijn uitgeschakeld wer Berlusconi in 2001 opnieuw premier van Italië.


Kabinetten sinds 1992

Amato

28 juni 1992 presenteerde de socialist Giulio Amato zijn ministersploeg, met daarin een aantal niet-politici en een verminderd aantal ministersposten. De politieke basis voor het kabinet was nog steeds de vierpartijencoalitie waarop ook het voorgaande kabinet Andreotti steunde. Opvallend was de afwezigheid van de oude kopstukken van de Democrazia Cristiana. Zelfs Andreotti ontbrak.

Groot was de ontzetting toen premier Amato in maart 1993 voorstelde corrupte politici en ondernemers vrij te stellen van strafvervolging (naar zijn zeggen om te voorkomen dat politiek bestuur en bedrijfsleven lam zouden komen te liggen doordat zij van hun kader werden beroofd). Scalfaro weigerde dit amnestie-decreet te ondertekenen. In de buitengewoon tumultueuze senaatsvergadering waar Amato zich moest verantwoorden, werd hij - letterlijk - teruggefloten, maar hij mocht toch nog even aanblijven.

Na het referendum van april 1993, waarin de Italianen zich massaal uitspraken voor politieke hervormingen, maakte Amato het aftreden van zijn door dagvaardingen gedecimeerde regering bekend. "Na zeventig jaar sterft het door het fascisme ingevoerde model van de partijstaat", zei hij.

Ciampi en Ciampi-bis

President Oscar Luigi Scalfaro benoemde Carlo Azeglio Ciampi, president van de Banca d'Italia, een man van groot aanzien en met een onbesproken gedrag, tot premier en formateur van een overgangsregering. Voor het eerst sinds 1947 kregen (nu ex-) communisten ministersposten; drie nog wel. Ook de groenen en de republikeinen waren door een minister vertegenwoordigd.

Deze regering, die voor meer dan een derde bestond uit niet-partijgebonden deskundigen, had tot taak Italië te gidsen naar zijn `Tweede Republiek'. Daarvoor moest zij de kieswet hervormen in de geest van het referendum en tegelijk de meest dringende problemen aanpakken op het gebied van de bestrijding van het begrotingstekort, de werkloosheid en de mafia.

Het eerste waar de kamer zich na het aantreden van de nieuwe regering over moest buigen was het al dan niet opheffen van de politieke onschendbaarheid van Craxi. Tot grote ontsteltenis van de nieuwe regering ging de kamer slechts op twee - minder belangrijke - van de zes onderdelen, akkoord met het opheffen van Craxi's parlementaire immuniteit. De groene en ex-communistische ministers stapten onmiddellijk op, binnen 24 uur na het aantreden van de regering. Ze vonden dat een regering van de vernieuwing niet kan rusten op een parlement dat zich uitspreekt voor het oude regime.

Scalfaro weigerde nieuwe verkiezingen uit te schrijven, de ministers werden vervangen. Velen hadden gehoopt dat er wel verkiezingen zouden komen. Vooral de politici van het oude regime en de kleine partijen hadden veel meer kans het hoofd boven water te houden bij een toepassing van de oude kieswet.

De vier ministers werden vervangen door experts, zodat al na een dag kon worden begonnen met het volgende kabinet: Ciampi-bis.

De ploeg die Ciampi had uitgezocht bleek al vlug een van de beste die Italië ooit gekend had. Zijn strakke en concrete stijl van regeren stond lijnrecht tegenover de demagogie en het populisme van zijn voorgangers.

Een klein jaar hield het kabinet Ciampi stand. Toen de nieuwe kieswetten gereed waren en de nieuwe begroting was goedgekeurd, stapte de regering Ciampi op. Inmiddels had Mani Pulite ook in de ministersploeg van Ciampi flink huisgehouden: een derde was gedagvaard.

De volgende verkiezingen werden gehouden volgens het meerderheidsstelsel. De verwachting was dat dit tot een stabiele regering zou leiden. De partijen waren gedwongen tot blokvorming: een blok voor de regering en een voor de oppositie. Inmiddels is gebleken dat de blokken niet zo hecht werden als men had gehoopt: voortdurende ruzie binnen de blokken maakte de situatie onwerkbaar.

Carlo Azeglio Ciampi werd in mei 1999 gekozen tot president van de republiek.


Silvio Berlusconi (`il cavaliere')

Zonder twijfel zijn de de regeringsperioden van Silvio Berlusconi de meest spraakmakende sinds de tweede wereldoorlog. Nooit heeft een premier met zoveel minachting voor de wet, de democratie en de publieke opinie geregeerd. Berlusconi had één grote droom: Italië herscheppen in een paradijs voor de vrije ondernemer, waarin iedere harde werker - zoals hijzelf - de rijkdom voor het opscheppen heeft.

Als zakenman was Berlusconi fel tegen de staatscontrole op de economie. Als premier ontdekte hij de politieke voordelen daarvan. Hij vindt het nu een belangrijke taak van de overheid het bedrijfsleven te steunen.

Berlusconi heeft er alles aan gedaan om zijn droom te verwezenlijken. Omdat hij precies weet hoe hij zijn doel moet bereiken, een onverwoestbaar vertrouwen in zichzelf heeft en zijn eigen missie bijna als messiaans ervaart, wenst hij niet voor de voeten gelopen te worden. Gebeurt dat toch, dan bestempelt hij zichzelf consequent als slachtoffer van de kwade machten die de staat in het ongeluk willen storten.

Belangenverstrengeling

De transformatie van de magnaat Silvio Berlusconi in regeringsleider bracht het grootste belangenconflict teweeg dat de democratische wereld ooit heeft meegemaakt. Wat in het oude regime in het geheim gebeurde en door iedereen werd veroordeeld, werd nu opeens geaccepteerd. Aanvankelijk beloofde hij politieke en persoonlijke belangen strikt te scheiden maar het bleek al gauw dat hij zijn politieke macht wel degelijk gebruikte in het voordeel van zijn bedrijf. In Italië scheen men er geen enkele moeite mee te hebben dat Berlusconi speler en scheidsrechter tegelijk was. Tot stomme verbazing van de rest van Europa, die de vermenging van economische macht, controle op de media en politieke verantwoordelijkheid zag als een serieuze bedreiging van de democratie.

Het decreet `Salva-Ladri'

De grootste rel die de regering Berlusconi teweeg heeft gebracht was die rond het decreet van minister Biondi, dat moest regelen dat van corruptie verdachte politici en ondernemers uit de cel zouden worden gehouden. Van 15 tot 25 juli 1994 was een groot deel van Italië in een zeer opstandige stemming. Duizenden mensen schreven en faxten protestbrieven en de rechters van Mani Pulite dreigden met onmiddellijk aftreden. In de volksmond heette het decreet `salva ladri' (redt de boeven) en iedereen begreep dat deze regeling niet in het belang van de staat was, maar in het belang van Silvio's broer Paolo Berlusconi, verdacht van corruptie, en van Bettino Craxi, goede vriend van Silvio Berlusconi (aan de politieke steun van Craxi heeft Berlusconi een groot deel van zijn imperium te danken). Uiteindelijk begreep Berlusconi ook wel dat hij iets te hard van stapel was gelopen en het decreet werd omgezet in een wetsvoorstel.

Fininvest en het smeergeld

Er werd een justitieel onderzoek ingesteld tegen Silvio Berlusconi. Hij wordt ervan verdacht zijn goedkeuring te hebben gegeven aan het betalen van een half miljoen gulden smeergeld aan leden van de Guardia di Finanza (fiscale recherche) ter voorkoming van belastingcontrole in drie van zijn bedrijven. Deze zaak leidde eerder tot strafrechtelijke stappen tegen Silvio's jongere broer Paolo en tegen Salvatore Sciascia, een topman van Berlusconi's investeringsmaatschappij Fininvest.

Berlusconi en zijn Fininvest-ministers, Previti en Ferrara hebben hun uiterste best gedaan Mani Pulite onschadelijk te maken. Toen overplaatsing, rechters van een onderzoek afhalen en dat soort maatregelen niet genoeg waren gebleken om Mani Pulite de mond te snoeren, probeerden zij in oktober `94 de hele groep te ontbinden wegens `het hinderen van de regering in het uitoefenen van haar taak'. President Scalfaro wist dit gelukkig te voorkomen: "Niemand verstoort het werk van de rechters", zei hij. Dus ook Berlusconi niet.

Fininvest en de Rai

Berlusconi bezit via zijn investeringsmaatschappij Fininvest 3 televisiekanalen. Het constitutionele hof achtte het ongrondwettig dat één particuliere eigenaar drie t.v.-kanalen bezit. In een referendum werd de mening van het publiek over deze kwestie gevraagd en zoals te verwachten viel steunde een meerderheid Berlusconi, bang als ze was de populaire kanalen kwijt te raken.

Berlusconi heeft steeds geprobeerd zijn grootste concurrent, de publieke omroep RAI, te verpletteren of te veroveren. De RAI snoepte namelijk veel te veel reclame-inkomsten van hem af en was veel te kritisch. Zo heeft Berlusconi als regeringsleider geprobeerd de eterbelasting voor de RAI te verviervoudigen waardoor de RAI maar liefst 133 keer zoveel voor zijn zendtijd zou moeten gaan betalen als de kanalen van Berlusconi.

Lastige zender- en journaalchefs liet hij zoveel mogelijk vervangen door hem welgezinde bekenden van Fininvest.

Fininvest en de STET

De STET, een dochter van de staatsholding INI, is het bloeiende telecommunicatiebedrijf van de Italiaanse staat. Berlusconi heeft als regeringsleider voorgesteld zijn Fininvest te laten fuseren met de STET en het geheel te nationaliseren. De staat zou dan de schulden van Fininvest saneren en Berlusconi zou als president van de nieuwe holding ook de controle krijgen over (mobiele) telefonie, satelliet- t.v., kabeltelevisie enz.

Naar een presidentiële republiek ?

Berlusconi heeft regelmatig laten blijken dat hij de democratie maar een lastige vorm van besturen vindt. Vandaar dat hij voorstander is van een presidentiële republiek, met grote bevoegdheden voor de president en zichzelf als president.

Het einde van Berlusconi's kabinet

Ondanks alles leek Berlusconi's populariteit aanvankelijk alleen maar te groeien. Bij de Europese verkiezingen behaalde zijn Forza Italia maar liefst 30% van de stemmen. Toch kwam er van het besturen van het land niet veel terecht. Er waren vele conflicten tussen Berlusconi en de Lega Nord, onder leiding van Umberto Bossi, die voortdurend dreigde uit de regering te stappen.

Na 226 dagen, in december 1994, viel het kabinet Berlusconi als gevolg van `het verraad van Bossi'. Bossi, leider van de Lega Nord en coalitiepartner van Berlusconi's Forza Italia, steunde namelijk een aantal moties van wantrouwen tegen Berlusconi. Prompt nadat Berlusconi zijn ontslag had aangeboden aan president Scalfaro stegen de noteringen van de aandelen en de koers van de lire. In 2001 behaalde Forza Italia opnieuw een verkiezingsoverwinning en werd Berlusconi voor de tweede keer premier.

Dini

Na de val van het kabinet Berlusconi werd er een zakenkabinet gevormd rond Lamberto Dini, het 54ste sinds de Tweede Wereldoorlog. Dini is een ex-bankier, was minister in de regering Berlusconi, en is door Berlusconi zelf als zijn opvolger naar voren geschoven.

Berlusconi had de belediging van Bossi maar moeilijk kunnen slikken. Hij vertrouwde erop dat nieuwe verkiezingen het onrecht snel zouden herstellen. Maar de nieuwe premier Dini voelde er weinig voor Berlusconi meteen weer aan de macht te helpen. Berlusconi bleek van het voeren van oppositie geen kaas te hebben gegeten, en in de heilzame werking van nieuwe verkiezingen begon hijzelf ook steeds minder te geloven. Hij probeerde ze zelfs voor onbepaalde tijd uit te stellen.

Wat zou het mooi zijn, hield hij zijn linkse tegenstanders voor, als we samen in een brede-basis regering gingen met een `hoogstaand en nobel akkoord'. Het is er niet van gekomen.

Zoals we ook al bij Ciampi hebben gezien zijn zakenkabinetten in Italië de enige die goed functioneren, vooral omdat deze kabinetten niet hun tijd verprutsen met partijpolitiek geharrewar.

Ook door Dini werd weinig geruzied en veel geregeerd. Er werden daadwerkelijk maatregelen getroffen om de belangrijkste problemen op te lossen. Het begrotingstekort werd aangepakt door het opstarten van een omvangrijke bezuinigingsoperatie en er werden serieuze plannen gemaakt om de werkloosheid aan te pakken. Het vertrouwen in de economie werd groter en de koers van de lire steeg iets.

Het kabinet Dini viel na 354 dagen, in januari 1996. Toen bleek dat er geen basis was voor een nieuw kabinet werd besloten tot vervroegde verkiezingen, op 21 april 1996.

Francesco Rutelli, leider van de 'Ulivo'.

Par condicio

Om misbruik van de televisie voor politieke propaganda te voorkomen, met name door Berlusconi op zijn eigen t.v.-kanalen, werd al onder Dini de Par Condicio ingevoerd. De gelijke voorwaarde voor alle politieke partijen ten aanzien van media-publiciteit. In 1999 werd de wet nog verder aangescherpt. Reclame is verboden tijdens elke verkiezingscampagne, daarbuiten moet partijpropaganda herkenbaar zijn in een gewoon reclameblok. Negatieve propaganda voor ander partijen is altijd verboden.

Prodi

De verkiezingen van april 1996 werden door de centrum linkse alliantie (olivo) gewonnen en er werd een regering gevormd onder leiding van Romano Prodi, het 55ste kabinet.

Voor Berlusconi, een geboren overwinnaar, moet het een onverdraaglijke vernedering zijn dat het gros van de Italianen hem niet meer wilde als regeringsleider. De droom was voorbij, de PR-talk van Berlusconi heeft niet meer gewerkt, zijn grote beloften zijn niet meer geloofd. Ook met zijn aanvallen op de rechters, in wie hij zijn politieke vijanden ziet, heeft hij eerder kiezers weggejaagd dan getrokken. Italië krijgt geen premier die veroordeling wegens corruptie riskeert of die zijn politieke functie misbruikt om zijn zakelijke belangen te behartigen.

De overwinning van de `olivo' was een overwinning van de kalmte en de redelijkheid. Een meerderheid moest niets hebben van een nieuw autoritair-chaotisch avontuur met Berlusconi en Fini. Ze heeft geloofd in de geruststellende boodschap van Prodi en zijn running mate Walter Veltroni, de ex-communist die al de `Kennedy van Italië' is genoemd.

Met de olijf kwamen de politieke erfgenamen aan de macht van de communisten en de christen-democraten.

d'Alema

Op 23 oktober 1998 schonk het parlement zijn vertrouwen aan een nieuwe centrum-linkse regering onder leiding van de ex-communist Massimo D'Alema. Het 56ste na-oorlogse kabinet. Berlusconi was woest. Hij had gehoopt op nieuwe verkiezingen waarin de Polo per la Libertà een goede kans had gemaakt. Dat die verkiezingen er niet kwamen was vooral te danken aan Francesco Cossiga. De vroegere christendemocraat en communistenhater die na de ineenstorting van de Democrazia Cristiana de Unione della Repubblica heeft opgericht. Met zijn christelijke middenpartijtje steunde hij plotseling zijn vroegere vijand wat hun de naam cattocomunisti heeft opgeleverd.

Berlusconi bis

Op 13 mei 2001 waren er opnieuw verkiezingen. De rechtse coalitie Casa delle Libertà won de verkiezingen en Berlusconi werd opnieuw premier. Hoewel Berlusconi zijn uiterste best doet een modern en betrouwbaar politicus te lijken, blijft het verleden hem achtervolgen en gaat hij onverminderd door met het inzetten van politieke middelen om zijn eigen zaken veilig te stellen.



Informatie elders op internet

Ministeries En verder...
  • www.carabinieri.it
    Nel nuovo sito dell'Arma dei Carabinieri (www.carabinieri.it), rivisto nei contenuti e nella grafica ma soprattutto progettato per rispondere meglio alle esigenze dell'utente in termini di adeguatezza e tempestività, oltre che di professionalità.

Nederland:

  • homepage www.rotterdam.nl
    Deze pagina bevat verwijzingen naar websites van de gemeente Rotterdam en hieraan gelieerde instellingen

Silvio Berlusconi.

Deze pagina is bijgewerkt op 1 december 2001

BACK   Pagina precedente                   PRINT Stampa pagina                           HOME Home