Belpaese.nl

Beeldaspecten

Ad Omnia

Inleiding

Bij het bekijken van een tekening of schilderij, zien de meeste mensen alleen maar 'wat het voorstelt'.
Kijken ze naar het schilderij hierboven, dan zien ze een man die zijn hoofd heeft gestoken door een doek dat op een schildersezel staat. Die mensen worden flink voor de gek gehouden, want in werkelijkheid zien ze helemaal geen man en ook geen doek op een schildersezel maar een écht linnen doek met daarop kleuren, lijnen en vlakken van verf.
Als je goed kijkt, kun je de lijnen en vlakken in deze afbeelding goed zien.
Hoe komt het dat de mensen toch een man en een schildersdoek zien?
Er is maar één verklaring: de schilder heeft lijnen, vlakken en kleuren op heel nauwkeurig bepaalde plaatsen op het doek gezet; dat deed hij op zo'n manier dat er licht en donker, ruimte, bepaalde vormen en oppervlakten lijken te ontstaan. De schilder kon al die dingen samen precies zó gebruiken dat het uiteindelijk lijkt alsof er een man te zien is.

Het schilderij blijkt dus te zijn opgebouwd uit onderdelen als lijnen, vlakken, vormen, kleuren, ruimte, licht en donker en bepaalde oppervlakken.
Deze onderdelen heten de beeldaspecten of beeldende aspecten: de onderdelen waaruit een beeld (of afbeelding) is opgebouwd.

De kunst van het tekenen en schilderen bestaat voor een groot deel uit het doordacht gebruiken van die beeldaspecten, met het doel om datgene wat je wilt laten zien zo duidelijk mogelijk in beeld te brengen. Grote kunstenaars gebruiken die beeldaspecten zó goed dat ze niet alleen mooie afbeeldingen van iets maken of 'iets vertellen' met hun kunstwerken, maar ook onvoorstelbare dingen als stemming, sfeer en bepaalde gevoelens kunnen overbrengen op de toeschouwer.

Deze pagina van de website bestaat uit een nadere kennismaking met de belangrijkste beeldaspecten.


Inhoudsopgave

Lijn

afbeelding

- arceren

- toon

- textuur

- stofuitdrukking

Licht

- eigenschaduw

- slagschaduw

- strijklicht

- tegenlicht

afbeelding

- silhouet

- plasticiteit

- grijswaarde

Kleur

- spectrumkleuren

- kleurencirkel

- primaire kleuren

- secundaire kleuren

- drukkerskleuren

afbeelding

- complementaire kleuren

- warme en koude (koele) kleuren

- verzadigde en onverzadigde kleuren

- verhelderen en verdonkeren van een kleur

- kleurcontrasten

Vorm

afbeelding

- enkelvoudige en samengestelde vormen

- twee- en driedimensionale vormen

- basisvormen

- geometrische en stereometrische vormen

- organische vormen

- onregelmatige en regelmatige vormen

- vorm en restvorm

Ruimte

- overlapping

- verkleining

- afsnijding

afbeelding

- atmosferisch perspectief (kleurvervaging)

- eenpunts-perspectief (lijnperspectief)

- ellipsen

Compositie

- aandachtspunt (accent)

- statische en dynamische compositie



© COPYRIGHT 1990 - 2020     BELPAESE.NL     HELLEN & NIEK JONGENEEL

1. Lijn

Lijnen worden bij het tekenen erg veel gebruikt. Bijna iedereen die een wit vel papier voor z'n neus krijgt waar een tekening op moet komen, pakt een potlood en begint met het zetten van lijnen. Die lijnen geven dan meestal de contour (omtrek) aan van de dingen en hun onderdelen. Afbeelding 3 (hieronder) is een tekening in lijnen naar de foto van afbeelding 2. Behalve op de plaatsen waar je op de tekening duidelijk contouren kunt zien (haar, mond, onderkant neus, ogen etc.), zijn ook lijnen gezet op plaatsen waar je geen duidelijke begrenzingen van vormen ziet. Die lijnen geven aan waar verschillende vlakken ongeveer in elkaar overgaan; bijvoorbeeld het voorhoofd en de slapen, de bovenkant en zijkant van de neus.

arceren

arceren

We kunnen lijnen ook gebruiken voor het aangeven van:

  • plekken die een donkere kleur hebben en schaduwplekken. (De mate waarin een plek licht of donker is noemen we de toon. zie hiervoor het gedeelte over plasticiteit verderop).
  • de aard van de oppervlakte van de dingen (textuur of stofuitdrukking), bijvoorbeeld: harig, donzig, rimpelig, stekelig enz.

Om dit voor elkaar te krijgen moeten we meerdere lijnen of lijntjes bij elkaar zetten, die we, al naar gelang het effect dat we willen bereiken, variëren in aantal, lengte, dikte en richting. Dit noemen we arceren.
In afbeelding 4 is door middel van arceren alleen de toon aangegeven. De lijnen lopen maar in twee richtingen. Hoe dichter de lijnen op elkaar staan, hoe donkerder de plek lijkt. Het donkerst zijn de plaatsen waar de lijnen dicht op elkaar staan én elkaar kruisen. Deze vormen van arceren noemen we parallelarcering en kruisarcering.

In afbeelding 5 zijn de richtingen en vormen van arcering aangepast aan de oppervlakte die ze weergeven. Hier is 'vrij' gearceerd: bij de neus, de mond, de slapen en de hals is duidelijk te zien hoe de lijnen als het ware meelopen met de vorm. Sommige van die lijntjes duiden ook meteen rimpels aan. De lijntjes in de muts geven ook het wollige ervan weer. Voor de stoppelbaard zijn hele korte streepjes gebruikt, voor de wenkbrauwen en het haar 'harige' streepjes.

Waarvoor je de arcering ook gebruikt, steeds dient hij mede voor het aangeven van de toon. Steeds geldt: hoe meer streepjes, hoe donkerder de toon.

studie leeuw
Jacob de Gheyn. Studie van een leeuw.
In deze tekening zijn de lijnen gebruikt om vorm, vacht en manen (structuur) en schaduw aan te geven.
***

2. Licht

Licht is straling

Om ons heen bevinden zich allerlei soorten straling: straling afkomstig van radio- en televisiezenders, infrarode straling, röntgenstraling, gammastraling enz. Met speciale apparatuur kan die straling worden opgevangen: radiostraling met een radio, röntgenstraling met een röntgenfoto-apparaat, infrarode straling met-een infraroodcamera, enz.
Een heel klein gedeelte van die straling kunnen we zelf opvangen, heel eenvoudig, met onze ogen. Die straling noemen we licht.

Zonder licht kunnen we niets zien. De dingen worden pas zichtbaar als er licht op valt, dat licht kaatst dan terug in onze ogen, waardoor we zien.


schaduwen

Eigenschaduw

Wanneer er licht valt op een voorwerp, dan wordt meestal maar een klein gedeelte van dat voorwerp rechtstreeks belicht. Alleen de kanten die helemaal naar de lichtbron zijn toegekeerd, worden rechtstreeks belicht. Waar het voorwerp niet rechtstreeks wordt belicht, ontstaan donkere plaatsen die we eigenschaduw noemen. De eigenschaduw is het donkerst op de plek die het meest van de lichtbron is afgekeerd. Eigenschaduw is dus de schaduw op de voorwerpen zelf.
Een schaduw die op een ander voorwerpen valt, noemen we slagschaduw.

schaduwen

Slagschaduw

Het construeren van een slagschaduw gaat op de volgende manier: (zie afbeelding 9 )

  1. Trek vanuit de lichtbron (L) een lijntje recht naar beneden tot het grondvlak. Je vindt dan punt L'.
  2. Trek vanuit het punt waarvan je de schaduw wilt weten (P) eveneens een lijn recht naar beneden tot hetzelfde vlak. Je vindt dan punt P'.
  3. Trek vanuit L een lijntje door P (a). Trek vanuit L' een lijntje door P' (b) Je vindt dan het schaduwpunt van punt P, namelijk S, het snijpunt van de lijnen a en b. De slagschaduw loopt nu van de voet van het paaltje (P') tot S.

Als de vorm waarvan je de schaduw wilt tekenen wat ingewikkelder is (zoals in afbeelding 10), dan moet je van meerdere punten van die vorm het schaduw-punt opzoeken.
Welke punten bepalend zijn voor de schaduw, moet je uitproberen. Ze liggen wel altijd aan de buitenkant van de vorm. De schaduwvorm ontstaat dan door de schaduwpunten te verbinden (afbeelding 10).

schaduwen
afbeelding

Bevindt zich in het vlak van de schaduw een verticale (staande) wand, dan klapt de schaduw daar omhoog (afbeelding 11).

Het schaduwbeeld van een voorwerp op een vlak is altijd groter dan het voorwerp dat de schaduw veroorzaakt (afbeelding 12), tenzij de lichtbron de zon is en het vlak waarop de schaduw valt precies naar de zon is gekeerd. Dan is de slagschaduw op dat vlak (vrijwel) even groot als het voorwerp zelf (afbeelding 13).


Is de lichtbron de zon, dan komt punt L' op de horizon te liggen (afbeelding 14).
Als de zon buiten beeld is - wat meestal het geval is - liggen ook de punten L en L' buiten beeld. In dat geval moet de richting van de hulplijnen naar die punten worden geschat. Houd dan voor alle lijnen lange de grond (zoals lijn b in afbeelding 14) één richting aan, en voor de lijnen naar de zon (zoals lijn a in afbeelding 14) ook één richting.

Staat de zon áchter ons, dan vallen de schaduwen natuurlijk van ons vandaan (afbeelding 15). Dan moet je de slagschaduw als volgt construeren:

  • Alle lijnen langs de grond (zoals b) verdwijnen dan in één punt op de horizon (V). De plaats van dat punt hangt af van de plaats van de zon achter ons: staat de zon rechts achter ons, dan komt punt V links op de horizon, staat de zon links, dan komt V rechts.
  • Alle lijnen - binnen ons beeld - die afkomstig zijn van de zon (zoals lijn a) verdwijnen dan in één punt (Z) recht onder punt V. Hoe lager punt Z onder de horizon zit, hoe korter de schaduwen uitvallen, hoe hoger de zon lijkt te staan.

Hoewel we het hier allemaal toch even hebben uitgelegd, is het voor ons, tekenaars, eigenlijk helemaal niet zo belangrijk hoe slagschaduw precies moet worden geconstrueerd. Je zult wel merken dat een tekening al snel zo ingewikkeld is dat een constructie van alle slagschaduwen zou leiden tot één grote wirwar van hulplijnen, waar je toch geen wijs meer uit wordt. Als je uit het voorgaande hebt begrepen hoe de slagschaduw in principe tot stand komt, zul je ook bij het tekenen ervan luit de hand' geen gekke dingen meer doen.

Strijklicht

Als het licht dat de lichtbron uitstraalt maar een heel kleine hoek maakt met het vlak dat het bestraalt en er dus als het ware langs 'strijkt', dan noemen we dat strijklicht. Bij landschappen is dat bij zonsopkomst en zonsondergang (als de zon tenminste schijnt.)

tegenlicht

Tegenlicht

afbeelding

Als de lichtbron zich achter de dingen bevindt waarnaar we kijken, dan spreken we van tegenlicht. Er is dan zo'n groot verschil in helderheid tussen de voorwerpen (die van voren niet belicht worden) en de lichte achtergrond, dat we die voorwerpen alleen nog maar zien als donkere vormen. Zulke donkere vormen noemen we silhouetten. Denk eraan dat als zo'n silhouet zich op een grondvlak bevindt, er Vóór het silhouet een slagschaduw te zien zal zijn (afbeelding 16).

Plasticiteit

De eigenschaduw op een vorm is natuurlijk niet overal even donker. Door de verschillen in 'donkerte' van de eigenschaduw kunnen we zien hoe een vorm ruimtelijk is opgebouwd. Ook de slagschaduwen helpen daarbij een handje. De ruimtelijke opbouw van een vorm en de weergave daarvan in een tekening noemen we de plasticiteit.

Bekijk de foto van de leeuwenkop (afbeelding 17) eens.

Bij het maken van een zwart-wit foto is eigenlijk het volgende gebeurd:

Van iedere plek die de camera in beeld had, is nagegaan hoeveel licht die plek terugkaatste in de lens van de camera. De plekken die weinig licht weerkaatsten, staan donker op de foto, de plekken die veel licht weerkaatsten licht. Hoeveel licht er wordt weerkaatst hangt af van:

  • De kleur. Heldere kleuren (zoals geel) kaatsen meer licht terug dan donkere (zoals paars). Mat zwart kaatst zelfs in het geheel geen licht terug.
  • De positie die de plek heeft ten opzichte van de lichtbron: plekken die het meest naar de lichtbron zijn toegekeerd ontvangen het meeste licht en kaatsen daarom ook het meeste terug, de plekken die er het meest van zijn afgekeerd ontvangen het minste licht en kaatsen daarom ook het minste terug.
  • Wij zien, net als de camera, de plekken op de leeuwenkop lichter naarmate ze meer licht weerkaatsen.

Omdat we de verschillende hoeveelheden teruggekaatst licht, zoals bij de zwart-witfoto,kunnen omzetten in bepaalde soorten grijs, kunnen we zeggen dat de verschillende plekken op de leeuwenkop een verschillende grijswaarde hebben. (Hebben we het over de grijswaarde van een kleur. dan spreken we ook wel van helderheid, zie gedeelte over kleur).

Uit de foto van de leeuwenkop is een aantal vierkantjes geknipt uit plekken met een verschillende grijswaarde. Ze zijn onder de foto naast elkaar geplakt, van licht naar donker, zodat een zogenaamde grijstrap is ontstaan. Ga maar eens na welk vierkantje van welke plaats komt.

Doordat we in een voorwerp grijswaarden zien, kunnen we de ruimtelijke opbouw ervan begrijpen. Die ruimtelijke opbouw noemen we de plasticiteit.


In een tekening streven we dikwijls naar een goede weergave van de plasticiteit. Daar zijn verschillende mogelijkheden voor:

  • Als we een bepaalde grijswaarde weergeven in een tekening noemen we dat een grijstoon. In lijn maken we grijstonen door te arceren (zie hiervoor het gedeelte over lijn)
  • Zwart wit (vlakken). Met potlood en diverse soorten krijt kunnen de verschillende tonen ook worden gemaakt door harder of zachter te drukken. Daardoor schijnt in meer of mindere mate het wit van het papier door het krijt heen. Ook kan worden uitgegaan van grijs papier. Heldere plekken worden dan met wit getekend, donkere plekken met zwart. Grijze vlakken kunnen egaal worden gemaakt met een doezelaar.
  • Kleur (meestal schilderachtige materialen). Er wordt uitgegaan van de echte kleur van het weer te geven voorwerp. Op de lichte plekken wordt die kleur gemengd met wit, hoe lichter, hoe meer wit. Voor de donkere plekken wordt die kleur gemengd met zwart, hoe donkerder, hoe meer zwart.

Om kleuren van kleurpotlood te verhelderen moet je ze dunnetjes opbrengen zodat het wit van het papier door de kleur heen schijnt. Om ze te verdonkeren moet je ze mengen met een donkere kleur of met zwart. Je kunt ze dus niet donker maken door hard op je potlood te drukken. Ze worden dan alleen meer verzadigd.



© COPYRIGHT 1990 - 2020     BELPAESE.NL     HELLEN & NIEK JONGENEEL

kleur

3. Kleur

Hoe komt kleur tot stand?

Onmisbaar voor het zien van kleur is de zon (of een andere lichtbron). De zon straalt licht uit. Ontzettend veel licht, waarvan een deel op onze aarde terecht komt. Dat licht zelf kun je eigenlijk niet zien. We zien het licht pas als het van een voorwerp wordt teruggekaatst. Als het zonlicht bijvoorbeeld op de maan valt dan kunnen we door de teruggekaatste lichtstralen de maan zien. Alles eromheen is donker, want daar wordt het licht niet meer gereflecteerd (teruggekaatst).

Het licht dat van de zon af komt is wit licht. Leg maar eens een wit vel papier naast een zwart vel papier. Het witte licht wordt door het witte vel helemaal teruggekaatst en daarom zien we dit als wit. Het zwarte vel kaatst geen stralen terug. We noemen dit dan zwart. Nu is het ook mogelijk dat een gedeelte van de lichtstralen wordt gereflecteerd. Dán gaan we kleur zien.

kleur

Spectrumkleuren

Het zonlicht is opgebouwd uit zeven verschillende kleuren; samen geven ze 'wit' licht. Het is natuurlijk heel moeilijk om dat witte licht zó uit elkaar te rafelen dat je die kleuren apart kunt zien. Maar de natuur helpt een handje: als de zon schijnt en er valt tegelijkertijd een regenbui, dan wordt het zonlicht door die regendruppels 'gebroken'. We zien dan gekleurde banen in de vorm van een regenboog.


afbeelding

De regenboog heeft zeven kleuren en dat zijn dan samen de kleuren van het 'witte licht'. Deze kleuren zien we altijd in dezelfde volgorde: rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo (donkerblauw), violet (paars). Die kleuren worden ook wel de spectrumkleuren genoemd. Dat witte licht blijkt dus helemaal niet zo 'wit' te zijn als het op het eerste gezicht lijkt. Het is een bundeling van kleuren die samen wit licht geven.

Omdat wit en zwart niet als een spectrumkleur voorkomen, noemen we ze voortaan niet-kleuren.

De kleurencirkel

Het is mogelijk om met een paar basiskleuren alle andere kleuren te krijgen. Dat kunnen we doen door de kleurstof - de verf - te mengen. Er zijn drie kleuren die we niet door kleurmenging kunnen krijgen. Dat zijn: rood, geel en blauw. Dat zijn de hoofdkleuren. Ze worden ook wel de primaire kleuren genoemd (primaire = eerste).

In de kleurencirkel van Johannes Itten (zie de afbeelding) zie je in het midden de drie primaire kleuren. Daarbuiten zie je de kleuren die je krijgt als je die primaire kleuren mengt. Als je rood met geel mengt, krijg je oranje; geel met blauw geeft groen; blauw met rood geeft paars. Deze drie kleuren - oranje, groen en paars - heten de secundaire kleuren (secundair = tweede).

De primaire en secundaire kleuren uit het middendeel zijn op de cirkel geordend met daartussen de kleuren die verkregen worden door het mengen van steeds de twee volgende kleuren op de cirkel. Zo ontstaat de twaalfdelige kleurencirkel.

De drukkerij

Als je een plaatje in een boek van héél dichtbij bekijkt, dan kun je zien dat elke mengkleur bestaat uit drie primaire kleuren die over elkaar gedrukt zijn. De drukker gebruikt speciale drukkerskleuren, dat zijn primaire kleuren die bij menging alle mogelijke mengkleuren geven. Blauw is cyaanblauw, rood is magenta en geel is citroengeel.

Complementaire kleuren

Tot nu toe hebben we alleen nog maar gemengd met twee primaire kleuren. Deze kleuren, twee aan twee gemengd, gaven een prachtig resultaat. Maar als we de drie primaire kleuren alle drie met elkaar mengen, loopt het mis. Dit mengseltje wordt donker en vies. Met de kleuren die we op school gebruiken geeft fat meestal een donkerbruine of grijze kleur. Dat komt omdat de gebruikte kleuren niet genoeg pigment (kleurstof) bevatten. Als we de beschikking zouden hebben over de drie precies goede primaire kleuren en we zouden die gaan mengen, dan zouden we zwart krijgen. Maar zwart kunnen we óók maken met twee kleuren uit de kleurencirkel. We nemen de kleuren rood en groen als voorbeeld. Rood is een primaire kleur, groen is een secundaire kleur, gemaakt van de twee primaire kleuren geel en blauw. Dus het mengen van rood en groen komt op hetzelfde neer als het mengen van rood met geel en blauw! Hetzelfde geldt voor de kleuren paars gemengd met geel en blauw gemengd met oranje. Opvallend is dat deze kleuren in de kleurencirkel precies tegenover elkaar liggen.

Deze kleuren noemen we complementaire kleuren:
rood <-> groen (geel met blauw);
geel <-> paars (blauw met rood);
blauw <-> oranje (geel met rood)

Warme/koude kleuren

Koelelementen zijn maar zelden rood, terwijl barbequeproducten maar zelden in een blauwe verpakking zitten. Mensen verbinden kleur vaak met een bepaald gevoel. Zo worden de kleuren geel, oranje en rood als warme kleuren ervaren, en blauwe tinten als koele- of koude kleuren.

Verzadigde/onverzadigde kleuren

Alle kleuren die in de kleurencirkel liggen, zijn verzadigde (of zuivere) kleuren. Deze kleuren zijn niet vermengd met zwart, wit of hun complementaire kleuren. Zodra deze kleuren wel hiermee vermengd zijn, spreken we van onverzadigde (of onzuivere) kleuren.

kleur

Een kleur verdonkeren of verhelderen

We zijn tot nu toe aan het mengen geweest zonder zwart en wit erbij te betrekken. Dat kon ook niet anders, want we hebben het gehad over kleurmenging, en de afspraak was dat we zwart en wit geen kleur noemden.

afbeelding

Toch zijn die twee buitenbeentjes van groot belang. We kunnen namelijk wit of zwart met een kleur mengen. Op deze manier kunnen we bijvoorbeeld van rood een toontrap maken van lichtroze via rood naar donkerrood. Om van rood naar donkerrood te gaan, wordt elke keer een klein beetje zwart aan het rood toegevoegd. De kleur rood wordt in dit voorbeeld verdonkerd. Met zwart kunnen we dus een kleur verdonkeren. Om van rood naar lichtroze te gaan, wordt elke keer een klein beetje wit aan het rood toegevoegd. De kleur rood wordt in dit voorbeeld verhelderd. Met wit kunnen we dus een kleur verhelderen. Overigens is het verstandiger om de kleur aan het wit toe te voegen, daar je anders onnodig veel witte verf moet gebruiken om een zeer lichte kleur te krijgen. Alle kleuren die verhelderd of verdonkerd zijn, zijn dus onverzadigde (of onzuivere) kleuren.

Pastelkleuren

Kleuren die stérk verhelderd zijn, noemen we pastelkleuren>, door de toevoeging van veel wit is de kleur lichter, teerder en zachter (bijvoorbeeld lichtroze).

De kleurenbol

Nu kunnen we een combinatie maken van de kleurencirkel met zwart en wit: de kleurenbol. De kleurencirkel komt hierbij op de 'evenaar' te liggen van de kleurenbol. Gaan we een kleur op de 'evenaar' mengen met wit of zwart, dan wordt die kleur onverzadigd (onzuiver). Hoe meer wit of zwart in de kleur komt, des te meer neemt de kleurkracht af. Op de 'pool' van de kleurenbol is dus nog slechts puur wit of zwart.
Zie de afbeelding.

Kleurcontrasten

  • licht-donkercontrast: tegenstelling tussen kleuren van verschillende helderheid.
  • koud-warmcontrast: tegenstelling tussen koude en warme kleuren
  • complementaircontrast: contrast tussen twee kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen.
  • kleur tegen kleurcontrast: felle, verzadigde kleuren tegen elkaar.
  • kwaliteitscontrast: verzadigde kleur tussen onverzadigde of andersom
  • kwantiteitscontrast: weinig van één kleur tussen veel van een andere.
  • simultaancontrast: de verandering van een waargenomen kleur onder invloed van een andere kleur uit de omgeving


© COPYRIGHT 1990 - 2020     BELPAESE.NL     HELLEN & NIEK JONGENEEL

4. Vorm

Enkelvoudige en samengestelde vormen

Alles om ons heen heeft een vorm. Deze vormen kunnen eenvoudig zijn, zoals een voetbal, of ingewikkeld, zoals een kerkgebouw (zie afb 20) Zo'n ingewikkeld kerkgebouw is in feite opgebouwd uit allerlei andere vormen, zoals daken torens, torenspitsen, kapellen enz. Het kerkgebouw noemen we daarom een samengestelde vorm; de voetbal noemen we een enkelvoudige vorm.

Platte vorm of 2-dimensionale vorm

Een vel papier is ook zo'n enkelvoudige vorm. Daar waar het papier ophoudt, is de grens van de vorm. Omdat een vel papier plat is noemen we dit een platte vorm. Een platte vorm heeft maar twee afmetingen, namelijk lengte en breedte. Een ander woord voor afmeting is dimensie, het vel papier noemen we daarom een tweedimensionale vorm.

Ruimtelijke vorm of 3-dimensionale vorm

Wanneer we een voetbal opensnijden, zien we dat deze hol is van binnen. Met andere woorden: de voetbal neemt een bepaalde ruimte in. Deze vorm noemen we daarom een ruimtelijke vorm. Zo kun je dat ook zeggen van een boek. Het boek heeft niet alleen een lengte en een breedte, maar ook dikte! Het boek heeft dus drie dimensies (afmetingen). Daarom noemen we deze vormen driedimensionale vormen.


vorm

2-en 3-dimensionale basisvormen

We gaan weer even terug naar het kerkgebouw. We noemden dit gebouw een samengestelde vorm, omdat deze is opgebouwd uit heel veel kleinere vormen. Wanneer we al deze kleinere vormen afzonderlijk gaan bekijken, herkennen we daar een aantal basisvormen in. Dat zijn:

  • kubus
  • balk-en doosvormen
  • cilinder
  • bol
  • piramide
afbeelding

Op afbeelding 22 zie je links twee getekende vazen. Daarnaast zie je basisvormen die je in die vazen zou kunnen herkennen, namelijk:

  • vierkant
  • rechthoek
  • cirkel
  • driehoek

Omdat we deze vormen kunnen tekenen met onze liniaal, geodriehoek of passer, noemen we de deze basisvormen ook wel geometrische vormen.
Driedimensionale geometrische vormen worden in de wiskunde ook vaar stereometrische vormen genoemd


bomen

Organische vormen

Tot nu toe hebben we alleen maar voorbeelden bekeken die door mensenhanden zijn gemaakt. Maar hoe zit het nu met de mensen, dieren, bloemen, kiezelstenen, bergen, bomen enzovoort? Deze vormen zijn (of lijken) allemaal door de natuur gevormd. We noemen deze vormen organische vormen.

Onregelmatige en regelmatige vormen

afbeelding

Op afbeelding 23 zien we twee 3-dimensionale vormen. De linker afbeelding is een piramide die is opgebouwd uit grote blokken steen, die door mensen uit steengroeven zijn gehouwen. Deze blokken zijn allemaal even groot. Ze zijn volgens een plan op elkaar gestapeld, waardoor uiteindelijk deze vorm, de piramide, is ontstaan.

In deze vorm zit dus een duidelijke regelmaat. We noemen deze vorm daarom een regelmatige vorm.


De rechter afbeelding is een berg, die door natuurkrachten is ontstaan.

Zo'n berg is één grote steenmassa met begroeiing erop. Door allerlei Invloeden van de natuur brokkelen er op willekeurige plekken wat stukken steen vanaf waardoor de berg een grillige vorm krijgt. We noemen zo'n vorm een onregelmatige vorm.

afbeelding

Ook bij 2-dimensionale vormen kunnen we spreken van regelmatige en onregelmatige vormen. Wanneer we met een liniaal een vierkant op een vel papier tekenen en we knippen dit vier kant uit, dan hebben we een regelmatige vorm.
Wanneer we een vierkant uit een vel papier proberen te scheuren, merken we dat dat niet eenvoudig is. Door het scheuren ontstaat er een toevallige vorm, een onregelmatige vorm.

Vorm en restvorm

afbeelding

Op afbeelding 25 zie je links de vorm van een ballustrade. Je ziet duidelijk de bolvormen in de paaltjes. Rechts zie je hetzelfde hek nog eens, alleen zie je nu de vorm heel duidelijk die tussen de paaltjes zit. Deze vorm is eigenlijk een vorm die niet is getekend, maar die is overgebleven. Zo'n vorm heet een restvorm.


Op afbeelding 26 zie je dat de vorm en de restvorm precies gelijk zijn. De een ziet eerst de lichte salamanders en zal even moeten zoeken naar de donkere. Maar het kan ook precies andersom zijn. De salamanders passen helemaal in elkaar. Er blijft geen ruimte meer over voor een achtergrond.

Hoe kun je vormen tekenen?

Er zijn twee manieren:

  • de vorm ontstaat door een lijn (afbeelding 27): dit kan een duidelijke omtreklijn (contour) zijn, Zoals bij een stripverhaal. De vorm kan ook ontstaan zijn door allerlei geschetste lijnen.
  • de vorm ontstaat door een vlak (afbeelding 28): het vlak kan gemaakt zijn door allerlei arceringen of het vlak is geschilderd, gekleurd, uitgeknipt of uitgesneden, gescheurd enz.
    Een bijzondere variant hierop is de houtsnede (of linoleumsnede). De restvorm snijd je dan weg uit de plaat en druk je vervolgens af (afbeelding 29).
Vormen

© COPYRIGHT 1990 - 2020     BELPAESE.NL     HELLEN & NIEK JONGENEEL

Bibiena

5. Ruimte

Ruimte in het platte vlak

afbeelding

Hoewel een bioscoopdoek, een televisiescherm of een foto helemaal plat zijn, verbaast het ons niets dat we daarop toch heel gemakkelijk ruimte kunnen zien. Bepaalde dingen in die platte beelden blijken ons duidelijk te kunnen maken hoe de voorgestelde ruimte in elkaar zit. Er zijn inderdaad een aantal middelen om ruimte aan te geven. Daarvan zullen we de volgende behandelen: verkleining, overlapping, atmosferisch perspectief, afsnijding, lijnperspectief. Dat zullen we doen aan de hand van de foto van afbeelding 30

Overlapping

Gedeelten van vormen zijn niet te zien omdat er andere vormen voor staan. Kijken we naar de foto en naar het vereenvoudigde onderdeel (detail) in afbeelding 31, dan is te zien dat persoon A de personen B en C overlapt. Persoon B overlapt op haar beurt persoon C. Hieruit trek je meteen de conclusie dat A het dichtst bij staat, dan B en dan C.

Verkleining

De kinderen op de foto zijn in werkelijkheid natuurlijk allemaal ongeveer even groot. Op de foto líjken ze dat ook te zijn. Op de foto zijn ze echter niet allemaal even groot afgebeeld. Dat wordt duidelijk als we ze uit de foto weghalen en naast elkaar op dezelfde grondlijn zetten (afbeelding 32). Dan is duidelijk te zien dat A groter is dan B en B groter dan C. We zien dus dat dingen veraf kleiner worden weergegeven dan dingen dichtbij. Dit verschijnsel noemen we verkleining.

Afsnijding

Natuurlijk hoeven niet alle vormen die je op een tekening zet precies binnen de randen van het papier te passen. Ze kunnen door de rand worden afgesneden waardoor ze maar gedeeltelijk te zien zijn. Hierdoor lijkt het of dat wat je binnen het beeld ziet een onderdeel is van een groter geheel. Dat wat je niet ziet kun je er zelf bij denken. Wat voor een tekening geldt, geldt hier ook voor een foto. De huizen links en rechts op afbeelding 30 zijn natuurlijk hoger dan je ze hier ziet, de stoep en stoepranden lopen vooraan in werkelijkheid gewoon door, enzovoort.

Atmosferisch perspectief (kleurvervaging)

Tussen ons en de dingen waarnaar wij kijken zit lucht. In die lucht bevinden zich stof- en vochtdeeltjes. Doordat die deeltjes als het ware het licht filteren zien wij dingen die ver weg zijn vager dan dingen die dichtbij zijn. Hoe groter de afstand is tussen ons en het onderwerp waarnaar wij kijken, hoe meer deeltjes er tussen zitten, hoe vager het beeld wordt. Dit verschijnsel heet atmosferisch perspectief.

  • kleuren in de verte worden valer (de kleurverzadiging neemt af);
  • details zijn minder duidelijk te zien;
  • het licht/donker contrast (verschil tussen de lichtste en donkerste plekken) is in de verte kleiner dan dichtbij: in de verte lijkt alles grijzig of - als het mooi weer is - ook meer blauw..

Op de foto van afbeelding 30 is het atmosferisch perspectief niet zo duidelijk te zien. Veel duidelijker is het op het schilderij hieronder.

Atmosferisch perspectief

Lijnperspectief

Als we ingewikkelde ruimtelijke constructies, zoals gebouwen, willen tekenen, kunnen we er bijna niet omheen lijnperspectief te gebruiken. Maar ook bij ruimtelijk minder ingewikkelde dingen moet bijna altijd rekening gehouden worden met onderdelen van de lijnperspectief. Laten we maar eens gaan kijken hoe dat lijnperspectief in elkaar zit.

Straat

Ooghoogte

In afbeelding 34 (hierboven) zien we de zijkant van een gedeelte van een straat. We kijken recht tegen een aantal huizen aan die langs de straat staan. Links staat een man. Hij kijkt recht de straat in. De richting waarin hij kijkt is aangegeven met de lijn O. De huizen die hier zijn getekend ziet hij staan aan de linkerkant van de straat. De man ziet de straat ongeveer zoals de fotograaf de straat van afbeelding 30 heeft gezien.

De hoogte van de ogen van de man ten opzichte van de straat noemen we zijn ooghoogte. De hele lijn O zit op ooghoogte, want de afstand tussen die lijn en de straat is overal gelijk aan de afstand tussen de ogen van de man en de straat.


afbeelding

De bovenkant van de dingen kan de man natuurlijk alleen maar zien als die zich ónder zijn ooghoogte bevinden. Hij kan op de straat kijken, op de stoep, op de treden van de trapjes voor de huizen.

Tegen alle dingen die boven zijn ooghoogte zitten kijkt hij van onder aan. Hij kan dus níet op de daken van de huizen kijken. Alles wat onder zijn ooghoogte zit, ziet hij van boven, alles wat er boven zit, ziet hij van onder.


We kunnen de ooghoogte, wanneer we naar dingen kijken, altijd vinden door een aantal punten te verbinden waarvan we weten dat ze even hoog boven de grond zitten als onze ogen (of, als we een tekening of foto bekijken, de ogen van de tekenaar of fotograaf. Er ontstaat dan een horizontale lijn (afb 35).

Laten we maar eens aannemen dat de fotograaf op 1,70 m boven de boven de weg zaten. Om de ooghoogte van de fotograaf te vinden, moeten we op een paar plaatsen in de tekening punten zien te vinden die 1,70 m boven de weg liggen. Als de kinderen 1,50 m zijn (ze zijn kleiner dan de fotograaf want die kijkt op de kinderen), dan vinden we zo al een paar punten vlak boven de hoofden van de kinderen. Kijken we naar de lopende man links; die is groter dan de kinderen, ongeveer 1,70m dus.

Zijn ooghoogte zal ongeveer dezelfde zijn als die van de fotograaf. Trekken we door de gevonden punten een horizontale lijn (één punt is eigenlijk al genoeg), dan hebben we de lijn die de ooghoogte aangeeft. In werkelijkheid zouden alle pijlen die in de tekening staan even lang zijn, namelijk 1,70 m.


Horizon

In afbeelding 34 zien we maar een klein stukje van de straat. In werkelijkheid houdt de wereld natuurlijk niet op aan de zijkanten van het tekeningetje. Als er geen dingen in de weg staan, kan het mannetje de wereld zien tot aan de horizon, de schijnbare scheiding tussen aarde en lucht. Omdat hij steeds recht vooruit kijkt naar de horizon zal hij ook de horizon op ooghoogte zien.


In een perspectivische tekening zit de horizon dan ook altijd op dezelfde hoogte als de lijn die de ooghoogte aangeeft. Zo kunnen we altijd de plaats van de horizon vinden, ook als die in werkelijkheid niet te zien is; als we de ooghoogte weten, weten we ook de plaats van de horizon.

Straat

Vluchtpunten en wijkende lijnen

Uit het voorgaande is al meerdere keren gebleken dat de dingen kleiner lijken als ze verder van ons vandaan zijn. Zo lijkt ook een weg naar achter toe smaller te worden. De weg lijkt op de horizon zo smal dat de zijkanten ervan elkaar daar raken en de weg in één punt lijkt te verdwijnen. Dit punt noemen we het verdwijnpunt of vluchtpunt, meestal aangegeven met de letter V.


afbeelding

Als een lijn een vluchtpunt V heeft op de horizon, komen alle andere lijnen die in werkelijkheid evenwijdig aan die lijn lopen in de tekening in hetzelfde vluchtpunt samen. Normaal ligt dat vluchtpunt op de horizon. Als we de richting van lijnen goed willen tekenen die niet tot de horizon doorlopen, verlengen we ze dunnetjes met een hulplijn tot ze lang genoeg zijn.


Wat voor de zijkanten van de weg geldt, geldt ook voor alle andere lijnen die daar in werkelijkheid evenwijdig aan lopen.

Kijk nog eens naar afbeelding 34. De lijnen A,B en D lopen evenwijdig aan elkaar, maar natuurlijk ook aan de randen van de straat. Ze komen dus bij elkaar in hetzelfde vluchtpunt, als ze vanuit het standpunt van de man in perspectief worden getekend. Hoe de man de huizen ongeveer zal zien is getekend in afbeelding 37. Let erop dat álle evenwijdige lijnen, ook de hele korte, de richting uitgaan van hetzelfde vluchtpunt.


Duidelijk is te zien dat van de evenwijdige lijnen die van de kijker vandaan lopen, de lijnen bóven ooghoogte naar beneden wijken en de lijnen ónder ooghoogte naar boven. Het is daarom ook mogelijk de ooghoogte (horizon) te vinden door tussen de naar beneden wijkende- en naar boven wijkende lijnen de lijn te zoeken die in perspectief horizontaal blijft. Die lijn zit op ooghoogte.


Vluchtpunten kunnen worden gevonden door het snijpunt te zoeken van een aantal wijkende lijnen die in werkelijkheid evenwijdig zijn. Uiteraard vind je ook dan de horizon, want daarop liggen de vluchtpunten.

Utrecht

Plaatsing van de horizon

Bij het tekenen in perspectief is het belangrijk eerst de horizon op de goede hoogte neer te zetten. Die horizon bepaalt namelijk meteen hoe de hele tekening eruit gaat zien. Kijk maar eens naar de drie tekeningetjes hieronder.

Stel dat je met je mobiel een foto maakt van een een straat. Als je de camera van je mobiel recht vooruit richt, dan zie je de horizon in het midden (A). Richt je omlaag, dan komt de horizon hoger in het beeld (B). Wijst de lens omhoog, dan komt de horizon lager in het beeld (C). De plaats van de horizon is dus afhankelijk van de richting waarin je kijkt.

Utrecht

Omdat je, als je op de grond ligt meestal omhoog kijkt (en dus de horizon laag in beeld komt) en als je op een hoge toren staat meestal omlaag (en dus de horizon hoog in beeld komt), heeft de hoogte van de horizon dikwijls ook te maken met je standpnunt (dat is het punt waar vanuit je de dingen bekijkt).

Als het standpunt erg hoog is en we op de dingen neerkijken spreken we van vogelvluchtpersdectief, als het standpunt erg laag is en we van onderaf naar de dingen kijken spreken we van kikvorsperspectief.


vogelvluchtperspectief kikkerperspectief

Als de hoogte van de horizon is bepaald, zetten we in het midden van die horizon het vluchtpunt. Als je er nu voor zorgt dat:

  • alle lijnen die in werkelijkheid recht van je vandaan én evenwijdig lopen en horizontaal zijn op je tekening eindigen in dat vluchtpunt
  • alle lijnen die in werkelijkheid evenwijdig lopen met de horizon ook in je tekening daarmee evenwijdig lopen,
  • alle verticale lijnen verticaal blijven.
  • alles wat onder ooghoogte zit onder de horizon blijft en alles wat boven ooghoogte zit boven de horizon uitkomt,

Dan kan er met je perspectieftekening weinig meer misgaan.

Ellipsen

Als we dingen in perspectief zien, treden ongemerkt allerlei vertekeningen op. Zo hebben we gezien dat een straat in perspectief een merkwaardige puntvorm wordt en dat mensen er veraf veel kleiner uitzien dan dichtbij. Gelukkig zetten onze hersenen al deze vertekeningen weer recht, zodat we onmiddellijk begrijpen dat de weg niet echt in een puntje doodloopt en de mensen in de verte niet echt kabouters zijn. Onze hersenen corrigeren al die vertekeningen zo goed, dat het heel moeilijk is om ze bewust te zien.

Kijk maar eens naar afbeelding 41 van het glas.


afbeelding

Een cirkel wordt een ellips

afbeelding

De bovenkant van een glas heeft de vorm van een cirkel, maar we zíen bijna nooit een cirkel. Zodra we niet meer recht bovenop het glas kijken maar schuin er tegenaan, verandert de cirkel in een ovale vorm, een ellips.

Dat is eenvoudig te verklaren als we bedenken dat een cirkel in een vierkant past. Tekenen we een vierkant in perspectief, dan zien we wat we op afbeelding 42 zien. Tekenen we binnen dat vierkant een cirkel in perspectief, dan krijgt die de vorm als in afbeelding 43.


Ellipsen hebben een lange as, dat is de grootst mogelijke doorsnede van de ellips, en een korte as, dat is de kleinst mogelijke doorsnede van de ellips. Beide assen staan loodrecht op elkaar (hoeken van 90°), en delen elkaar middendoor.


Toepassing

Kijk eens naar de constructietekening van de reclamezuil (afbeelding 46) en naar de tekening van de rioleringsbuis (afbeelding 45). Die vallen alleen maar te tekenen met behulp van ellipsen. Om die ellipsen op de goede plaats te krijgen, moeten we eerst een andere belangrijke lijn neerzetten: de centrale as die door het hele voorwerp loopt, de zogenaamde lichaamsas. Van elke ellips die we tekenen om de zuil of de buis te construeren, ligt het middelpunt op de lichaamsas.

De lange assen van de ellipsen tekenen we steeds loodrecht op de lichaamsas. De korte assen tekenen we dáár weer loodrecht op. De korte assen vallen dan natuurlijk weer precies bovenop de lichaamsas.


Verhouding lange-korte as

Het is mogelijk om de verhouding tussen de lange en de korte as van iedere ellips heel nauwkeurig meetkundig te bepalen, maar normaal gesproken bepalen we die verhouding 'op het oog'. Denk er daarbij steeds aan dat, hoe schuiner we in werkelijkheid tegen een cirkel aankijken, hoe platter we in de tekening de ellips tekenen (de korte as wordt dan korter in verhouding tot de lange).

Als we van opzij tegen een cirkel aankijken, zien we helemaal geen korte as meer. Bedenk ook dat we ellipsen boven de horizon van onderaf bekijken, en ellipsen onder de horizon van bovenaf. In afbeelding 46 en afbeelding 47 is dit allemaal duidelijk te zien.


Bij kleine voorwerpen, of voorwerpen die we van veraf bekijken, kunnen we de verhouding tussen lange en korte as voor alle ellipsen hetzelfde houden (afbeelding 49); en de verkleining in de verte verwaarlozen (afbeelding 48).


afbeelding

© COPYRIGHT 1990 - 2020     BELPAESE.NL     HELLEN & NIEK JONGENEEL

afbeelding

6. Compositie

Wat is compositie?

Francesco Bassan, annuncio ai pastori, composizione
Een centrale compositie is altijd heel rustig en evenwichtig. Misschien wel saai.***
Francesco Bassano, pastore
Door de verschillende richtingen en de vele diagonale lijnen ontstaat veel spanning en dynamiek. ***

Als je je kamer inricht, schuif je met je spullen totdat je vindt dat alles goed is. Zonder er veel bij na te denken, heb je je spullen op een bepaalde manier geordend. In feite ben je bezig geweest met het maken van een compositie (ordening).


Bij tekenen en schilderen verstaan we onder compositie het zodanig ordenen van de vormen op je papier dat het geheel voor je gevoel prettig is om naar te kijken. Dat is meestal het geval wanneer de onderdelen van de compositie een duidelijke samenhang vertonen wanneer er een relatie bestaat tussen de onderdelen van de compositie.


Het gevoel voor een goede compositie kun je ontwikkelen door het kijken naar werk van anderen, zoals tekeningen, schilderijen, reclamefolders, affiches, foto's, etalages, enz.

Gevoel voor compositie kun je ook ontwikkelen door ervaring, dus door zelf veel te tekenen en te schilderen.

Hoe je je tekening of schilderij componeert, hangt af van wat je er mee wil. Het is dus eigenlijk nooit fout, zo lang maar duidelijk is dat er een plan achter zit en het geen willekeur is. De enige foute compositie is dus geen compositie.

Spiegelei-compositie

Tekenleraren zien heel vaak composities voorbijkomen die eigenlijkhelemaal geen composities zijn. Dat noemen wij wel spiegelei-composities. Als je een ei breekt en in een grote pan gooit, dan komt de dooier zo'n beetje in het midden en het eiwit vloeit min of meer willekeurig randen uit. Zo maken veel mensen tekeningen. Ze beginnen in het midden van het papier en zien dan wel hoe het uitpakt.
Bij het maken van een compositie is de relatie tussen het beeld en het kader echter een van de belangrijkste middelen! Dat geldt ook voor de kadrering in fotografie en film.

Teken daarom bij het maken van schetsjes ook altijd een kader.

Aandachtspunt (accent)

Wanneer je een onderdeel van je tekening belangrijk vindt, moet je hierop de aandacht vestigen. Dat onderdeel wordt dan het aandachtspunt of een accent in je tekening.

Er is een aantal manieren om van dat onderdeel een aandachtspunt te maken:

  • door het onderdeel duidelijker te tekenen (met meer details) dan de overige onderdelen in je tekening;
  • door het onderdeel veel lichter of donkerder of met meer contrast te maken dan de rest van je tekening;
  • door het onderdeel een kleur te geven die afsteekt tegen de andere kleuren in je tekening;
  • door het onderdeel als vorm te laten afwijken van andere vormen;
  • door het onderdeel veel groter te tekenen dan de overige onderdelen in je tekening (fig.B).

Wanneer je een tekening wilt maken die een rustige indruk geeft, zorg dan voor veel evenwicht in je compositie. Zo'n rustige, evenwichtige compositie noemen we ook wel een statische compositie

Figuur A in afbeelding 50 ziet er zeer evenwichtig uit: de grootste tennisbal staat in het midden, aan beide zijden staan evenveel en even grote balletjes op dezelfde hoogte. Het aandachtspunt, de grote tennisbal, ligt precies in het midden. De linkerhelft van de afbeelding lijkt bijna een spiegelbeeld van de rechterhelft. Dit is een symmetrische compositie.

afbeelding

Wanneer je juist wilt voorkomen dat je tekening een heel rustige indruk geeft, dan kun je gebruik maken van een asymmetrische compositie. Hierbij worden de vormen op je papier zó geordend, dat je tekening niet te verdelen is in twee gelijke helften. Je aandachtspunt ligt dan uit het midden (zie afbeelding 50 fig.B). Er onstaat dan een beweeglijke, dynamische compositie


Het kan ook voorkomen dat er in een tekening helemaal geen aandachtspunten nodig zijn. Je vindt in dat geval elk onderdeel in je tekening even belangrijk (bijvoorbeeld: Parasols op het strand). Wanneer je een dergelijke tekening gaat maken, moet je erop letten dat je tekening niet saai en eentonig wordt. Wanneer je alle parasols netjes op een rijtje zet, recht in het zand gestoken en allemaal dezelfde kleur geeft, dan heb je een saaie tekening (zie afbeelding 51 figuur A).

Wanneer je zo af en toe een parasol scheef zet of wat hoger op je papier zet of de kleur iets laat afwijken van de andere parasols, krijg je meer afwisseling in je tekening (zie fig.B). De afwisseling in een vorm (in het voorbeeld: de parasol) die zich eigenlijk steeds herhaalt, noemen we ritme.

Ritme


Misschien vind je de onderstaande pagina's ook wel interessant.
Klik op de afbeelding.

Bos door Emma

Galerie Emhouse
Bekijk de topstukken van het werk dat door de leerlingen thuis gemaakt is.

PRINT Stampa pagina