5. Gotiek
1150-1450

Kathedraal van Saint Denis

5.1 Tijdsbeeld

5.1.1 Het tijdperk

Valkenjacht
De valkenjacht was een geliefd tijdverdrijf van de middeleeuwse adel. Afbeelding uit de Manessecodex, een verzameling minneliederen.
Afbeelding: Universitštsbibliothek Heidelberg.

---
Wapen Praag
Stadswapen van Praag.
De verzelfstandiging van de steden werd onderstreept door de invoering van stadswapens.

---
San Gimignano
San Gimignano.
Van de 50 familietorens die hier in de middeleeuwen stonden, staan er nog 13 overeind. De torens werden gebouwd door rivaliserende families die elkaar ook binnen de stad bevochten.

---

Het Romaans en de Gotiek vormen samen de middeleeuwen. Beide perioden hebben wel eigen namen maar sluiten in elk opzicht op elkaar aan. In de tijd afgebakend beslaat de gotiek de tijd van ca.1150 tot ca.1450. De kunststijl gotiek komt in streken van Europa sterk verschillend voor; in Midden- en Zuid-Italië bijvoorbeeld bijna niet, terwijl in Bohemen de gotiek heel lang duurde, daar werd de renaissance overgeslagen. Het best kan men zich een beeld vormen van deze tijd en stijl door te kijken naar het centrale deel van Frankrijk: het Ile de France, de streek om Parijs. Het belangrijkste proces dat de gotiek beheerst is het "gevecht om de macht" tussen drie partijen: de adel, de geestelijkheid en de burgers.
In grote trekken komt het er op neer dat de positie van de burgers, verenigd in de steden, verstevigd wordt ten koste van de adel en later ook van de geestelijkheid. Toch is er een vrij stabiele toestand in Europa. Dat komt door de aanwezigheid van een gezamenlijke bedreiging: de Islam. De Arabieren bezetten het Heilig Land (Palestina). De 'Moren' bewonen het zuiden van Spanje. Een tweede algemeen verschijnsel is de trek van de plattelandsbevolking naar de stad waardoor het voor de feodale adel moeilijker wordt het boerenvolk te beheersen.

5.1.2 De adel, hoe staat het ermee?

Familiebanden waren heel ingewikkeld omdat door pestepidemieën, kruistochten en kraamvrouwenkoorts erg veel mensen omkwamen en de overgeblevenen een tweede keer trouwden. Binnen het kasteel leefde men als een gemeenschap maar de vrouwen hadden een eigen domein waar de galante ridders niets te zoeken hadden.
De koningen onderhielden de adel vrijgevig voor betoonde trouw, maar eigenlijk was er geen reden van bestaan meer voor de landadel. Die organiseerde dan ook toernooien als vervanging van het ongeremde geweld tijdens veldtochten. In de ceremoniële vormgeving van de toernooien werd ook de zogenaamde hoofse cultuur zichtbaar. Dat is een verzamelnaam voor allerlei wervende activiteiten ten aanzien van de adellijke en aanzienlijke dames. De ridders waren herkenbaar aan hun wapenrusting. Die bestond uit een dikke wollen kiel, daarover een maliënkolder met een linnen hemd daarover, waarop bijvoorbeeld een rood- of Malthezer kruis stond. In deze tijd ontstonden de familiewapens. Vanaf 1300 gebruikte men metaalplaat voor helmen en harnassen. Het christendom stond het gebruik van geweld nog steeds alleen toe aan de adel. Om christelijke principes waar te maken trok de adel op kruistocht. Tussen 1216 en 1270 waren er al vier kruistochten. Van de in totaal zeven kruistochten kwamen er maar drie in Jeruzalem aan.

5.1.3 De kerk; bestuurder, veldheer of geestelijk leider?

Het christendom verbond de politiek met het dagelijks leven. De rechtspraak was ook vanuit de kerk geregeld. Een speciale rechtbank, de inquisitie, zag er met harde en bloedige hand op toe dat er maar één gelijk was: dat van de kerk van Rome. De inquisitie was een kerkelijke instelling, ze had echter ook een ongeregelde volkse tegenhanger: de heksenjacht. Als dom onderontwikkeld en ongeletterd volk een zondebok zoekt voor allerlei overkomen onheil, dan gaat de volkswil vreemd zwerven. Aan bepaalde alleenstaande mensen, meestal vrouwen, werden dan allerlei slechte eigenschappen toegeschreven. Ze werden door lokale volksmenners als "heks" aangemerkt en werden, uiteraard zonder goed geregelde rechtspraak, op de brandstapel vermoord. "Eva verleidde de slang, de slang was de duivel, dus...". Van hekserij verdachte personen werden gewogen of onder water gedompeld om vervolgens door uiterst onwetenschappelijk redeneringen schuld vast te stellen. De kerk moest steeds meer moeite doen om haar overheersende rol te behouden.

5.1.4 De bisschop, paus in de stad.

Pieta
Gotische pietŗ, 14de eeuw. Het motief Maria met haar gestorven zoon werd in de gotiek sterk expressief weergegeven. In noord-Europa werden beelden van hout gemaakt en beschilderd.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---
Middeleeuwse huizen
Reconstructie van middeleeuwse huizen in het Archeon. Op de benedenverdieping was meestal een werkplaats die tevens als winkel dienst kon doen. De woon- en slaapvertrekken waren op de verdiepingen. Voor de ramen zaten houten luiken: vensterglas kende men in die tijd nog nauwelijks.
---
Medico Peste
Deze arts draagt kleding die hem tegen de pest zou moeten beschermen (afbeelding uit de 17de eeuw).
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Het centrum van geestelijk leven verschoof tijdens de gotiek van de kloosters naar de steden. Er vestigden zich ook nieuwe broederschappen: de Franciscanen (navolgers van Franciscus van Assisi) en Dominicanen (volgers van de heilige Dominicus). Deze orden leefden van giften en werden daarom bedelorden genoemd. Deze orden hielden de zuivere doelstellingen van het Christendom hoog en predikten een leven van armoede en zuiverheid. Ze beschouwden het menselijk lichaam als een "drekbuidel", als tijdelijke behuizing van de ziel: het aards bestaan was tijdelijk. "Memento mori", gedenk te sterven was het parool. Veel voorkomende motieven in de kunst waren dan ook macabere dingen als het doodshoofd met de gekruiste beenderen en een uurglas (zandloper).
De bedelorden hadden kloostergebouwen in de steden met daarbij gastenverblijven, ziekenzalen, scholen en schrijfateliers. In de kloosterscholen was de meeste kritiek te horen op de toestanden in de kerk. Vooral de orde der Cisterciënzers ging daarin voorop. De bedelorden zorgden voor de armen en behoeftigen, invaliden en bejaarden.
Een andere groep geestelijken in de stad vormde het kapittel. Dat was een genootschap van koorheren die assisteerden bij de eredienst in de kerk en deze ook beheerden. Zo'n kerk was meestal een kathedraal of bisschopskerk. Soms noemt men een kerk een dom, dat is dan een eretitel.
De kerk was gezamenlijk bezit van de gemeenschap. De bisschop was het hoofd van de kerkelijke hiërarchie in stad. De kerk of kathedraal was een "Opera del Duomo", je zou kunnen zeggen: kathedraalbedrijf dat als rechtspersoon kon optreden. Erg veel mensen hadden invloed op het beleid ten aanzien van de kerk: het stadbestuur (vanwege het geld en de ruimtelijke ordening), het kapittel, de bisschop. Het stadsbestuur spaarde ook geld om de kerk te kunnen uitbreiden en verfraaien. Rijke burgers lieten voor eigen rekening kapellen bouwen aan de kerk.

5.1.5 De gelovige burger

Lezen en schrijven kon men niet. De eredienst was in het Latijn. Het geloof werd beleden door elke zondag de Heilige Mis bij te wonen en naar de preek te luisteren. Er waren al sacramenten, dat waren gewijde handelingen die beschouwd werden door Christus zelf te zijn ingesteld. Zulke sacramenten waren onder andere het dopen, het trouwen in de kerk, het opbiechten van zonden en ter communie gaan. Die vormden het publieke deel van religieuze vieringen in de stad. De burger die boete deed voor in de biecht beleden zonden of wilde bidden voor genezing of verbetering van omstandigheden, ging op pelgrimstocht.
Zo'n pelgrimstocht was heel gewoon, immers duizenden mensen deden dat. Maar eenvoudig was zo'n tocht niet, ze duurde maanden. Men ging meestal naar Santiago de Compostella omdat daar het graf van de apostel Jacobus de Oudere was. Er waren routebeschrijvingen van bekend met allerlei kerkelijke bezienswaardigheden onderweg. Men overnachtte in kloosters en herbergen langs de route. Kwam men tenslotte terug (dat was in die tijd niet zeker) dan herkende men een pelgrim aan de Jakobsschelp (=kammossel) op de hoed en medailles op de jas.

5.1.6 De stad

De steden werden de centra van de macht, de economie en wetenschap. De paus en de keizer of koning hadden hetzelfde probleem: wie het geld heeft, heeft ook de macht. Door de bloeiende handel konden de steden zich veel permitteren. Men verdeelde in de stadhuizen de gunsten aan het kapittel en de bedelorden. De steden gingen een eigen culturele identiteit ontwikkelen en gingen onderling creatieve wedijver niet uit de weg. Dat leidde vooral tot het bouwen van de grootste, hoogste en fraaiste kerk. Daarin werd alles geïnvesteerd dat bij kon dragen aan de meerdere eer en glorie van....de stad!
De steden beheerden ook de stadsmuren en poorten, de bruggen, de wegen de hospitaals en de abdij (als die er was). De straten werden geplaveid. De adel werd afhankelijk van de stadsbesturen en verleende (tegen betaling) privileges, stadsrechten en eigen rechtspraak.

Torenrij Gent

5.1.7 Nieuwe burgers, nieuwe gebouwen

Belfort van Brugge
Het Belfort en de stadshallen van Brugge (BelgiŽ).
---
Dom van Utrecht
Het koor van de Dom van Utrecht.
---

Het bankwezen was een branche die geheel nieuw was. In het bankwezen werden spoedig grote winsten gemaakt. Die winsten werden als een afdoening van schuldgevoel geschonken aan goede doelen. Het verdienen door rente op geld gold als onethisch. Het eigen huis van de rijke burger in de stad kreeg vorm als stenen gebouw. In San Gimignano (Italië) bouwden rijke families extreem hoge woontorens in de stad om elkaar in de gaten te houden en elkaar te denigreren.
In het noorden van Europa werden stadhuizen en belforten gebouwd met een hoge toren daarop. Goede voorbeelden zijn nog te zien in Ieper, Gent, Brugge, Brussel, Middelburg en Oudenaarde.

5.1.8 De (on-)gezondheid

De kruistochten brachten vreemde bacillen mee naar het noorden. Bidden en Bijbellezen was het enige dat men tegen de meeste ziektes kon doen. Een chronische kwaal kon aanleiding zijn voor een bedevaart. Enige artsenij van betekenis was er niet. Men kende de 'piskijker' en de 'papper': de een bestudeerde de urine voor de diagnose en de ander was gespecialiseerd in brandwonden.
Twee voortdurende geselingen zorgden voor angst en godsvrucht:

5.1.9 De melaatsheid of lepra

Melaatsen mochten bedelen met vergunning. Ze droegen zwarte mantels en maakten hun aanwezigheid kenbaar door een lazarusklep te gebruiken (= dubbele castagnetten) of ratel. De zorg voor de leprozen of melaatsen kreeg vorm in de leprozenhuizen die bij de stadswallen werden gebouwd. Door isolering van besmette mensen werd lepra in de 17de eeuw tenslotte uitgeroeid, maar keerde in de 19de eeuw weer terug.

5.1.10 De zwarte dood

De pest zorgde om de tien jaar voor epidemieën. Tussen 1347 en 1722 waren er 31. Men beschouwde die als uiting van Gods toorn over het zondig gedrag van de mensen. De pestbacil werd overgebracht door de pestvlo en via ratten maar dat werd pas in 1894 ontdekt. De pest veroorzaakte enorme verliezen onder de bevolking en had daarom ook economische gevolgen. De mensen die overleefden waren immuun geworden maar hun kinderen weer niet. Als verdediging zocht men het in isoleren en in quarantaine houden van besmette mensen. Op landelijk niveau ontwikkelde men tactieken om vluchtelingenstromen te leiden en besmette gebieden af te grendelen. De pest had één gunstig gevolg: er ontstonden instellingen voor volksgezondheid.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


5.2 Dagelijks leven

5.2.1 Het gezin

Tres Riches Heures
Kalenderafbeelding van de maand oktober uit de "Tres Riches Heures du Duc de Berry". Een getijdenboek gemaakt geÔllustreerd door de gebroeders van Limburg, begin 15de eeuw.
We zien het eggen en het zaaien, tegen de achtergrond van een groot kasteel.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---
Artes Liberales
Philosophia en de zeven vrije kunsten. Miniatuurschildering. Omstreeks 1180.
De vrije kunsten of artes liberales waren in de middeleeuwen: musica - grammatica - geometria - rethorica - astronomia - dialectica - arithmetica
Schilderkunst en beeldhouwkunst werden nog niet tot de kunsten gerekend maar waren gewoon ambachten. Schilders, beeldsnijders en verluchters hoorden zelfs niet bij de hoge gilden; maar bij de arti minori, de kleine luiden.
Bůven alle kunsten stond Philosophia, de filosofie, die in het midden is afgebeeld, vergezeld van Socrates en Plato.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Vruchtbaarheid was buitengewoon belangrijk. Het gezin draaide om de heer des huizes, diens echtgenote en hun nakomelingen. Dan waren er de aangenomen kinderen, halfbroers, -zusters, neven, nichten etc. De familieband was bindend in elk opzicht. De afstamming in mannelijke- zowel als in de vrouwelijke lijn was even sterk geldig. Meerdere gezinnen vormden al een leefgemeenschap. Dorpen bevestigden hun identiteit (die niet veel meer inhield dat verschil in folklore) door onderlinge vechtpartijen. Uit die vechtpartijen zijn sporten als voetbal voortgekomen als vorm van beschaving, zoals de riddertoernooien de veldslagen vervingen.
De woninginrichting was erg eenvoudig. Men had een kist die diende als kast, koffer, stoel of bank. had zo'n kist poten dan was het een dressoir. Het bed was een ruime koffer zonder deksel waarin men half zittend sliep. Meer mensen sliepen in één bed. Ook in herbergen was dat heel gewoon. De enige regel was dat de oudste in het bed mocht kiezen aan welke kant hij/zij lag. Een tafel was een plank op schragen.
Men ging ook samen in bad. Een grote tobbe als voorloper van het zwembassin. Het wassen was ingeburgerd, het haar waste men 1x per week. Omgangsvormen waren er niet. Iedereen deed alles wat zo uitkwam, egards ten opzichte van huisgenoten had men niet. Men betoonde alleen respect voor mensen die hoger geacht werden.

5.2.2 Voedsel

Men at met de handen of een lepel. Het basisvoedsel bestond uit bonen en rogge. De armen aten "water en brood", dat was echter lang zo slecht nog niet, want het brood was van hoge kwaliteit en rijk van samenstelling.

5.2.3 Kleding

De man droeg een linnen hemd met daarover een mouwloos jack. Een lange overjas, cotte, met riem of een korte getailleerde jas. De overjas had soms splitten in de mouwen en een bontafzetting.
De vrouw droeg een hoofddeksel, een kaproen, een zijden kap die ook de wangen omsloot. De punt van de kap werd in de tijd steeds langer uitgevoerd. Een nauwsluitend onderkleed, met daarover een met veters sluitend lijfje, en een overmantel, de surcot, die een lange sleep had. De armsgaten werden steeds dieper gemaakt. Om het hoofd werd ook wel een doek geslagen die in de hals werd ingestopt. De smalle mouwen werden dichtgemaakt met rijen knoopjes.
Aan het eind van de gotiek, in de aanloop naar het tijdperk van de renaissance ( 1350-1450) werd de mode uitbundiger. De cotte en surcot werden opgevolgd door de houppelande. Dat was een brede, golvend uitgevoerde mantel met wijde mouwen en een grote opstaande kraag met baleinen. De puntmutsen werden steeds langer en kegelvormig, de z.g. hennin. De man droeg leren laarzen, de vrouw zachtleren puntschoenen op houten verhogingen, z.g. trippen. In huis droeg men vilten schoenen. De vrouwelijke gestalte werd door puntmuts en hakken zo lang dat de kasteeldeuren hoger gemaakt moesten worden.
De soldaat droeg in die tijd een zwaar gepolsterd jack en een maliŽnkolder, een metalen helm met afgewerkte rand.
Het bekende narrenpak met de kleurige muts en belletjes stamt ook uit deze tijd.

5.2.4 Handel, economie en bedrijvigheid

Er was eigenlijk al sprake van een vroege vorm van kapitalisme in de gotiek. Er was concurrentie tussen de steden, straten, wijken van steden. Er ontstonden speciale bedrijfstakken per regio. In Duitsland werd steenkool gedolven. In Luik, Sheffield en Solingen werd metaal bewerkt. In Vlaanderen was wol- en linnenindustrie. De eerste spinnerijen en weverijen ontstonden. In Vlaanderen werden wandtapijten voor de hoven in Italië gemaakt.
In de lage landen werden molens gebouwd rond de steden voor windenergie. In rivieren kwamen watermolens. Met de gewonnen energie dreef men smederijen aan, zaagde men hout, maalde men graan, werd olie uit zaden geperst, enz. Metaal en glas kom men smelten in houtskoolvuur. Kortom de productiemiddelen werden volop ontwikkeld. Door de kruistochten en de ontdekkingsreizen veranderden de handelswegen en de soort artikelen. In grote handelscentra, als bijvoorbeeld de stad Lyon, werden zo'n viermaal per jaar internationale markten gehouden. Daar vond ook valutahandel plaats omdat alle landen eigen munten gebruikten. Het Italiaanse woord "giro" betekent wissel.

5.2.5 De wetenschappen

Tres Riches Heures
Het scala aan muziekinstrumenten nam toe. Kerkgezang werd begeleid door het orgel; de benodigde luchtstroom voor de orgelpijpen werd door spierkracht m.b.v. een blaasbalg op gang gehouden.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Er waren maar twee manieren om kennis over te dragen: doorvertellen en lezen. Het doorvertellen werd bijvoorbeeld gedaan door magisters, die zelfs aan huis les. Door de kruistochten werden Arabische steden veroverd en kreeg men klassieke Latijnse en Arabische teksten te pakken. Zo bestudeerde men de geneeskunde zoals die volgens Hypocratus en Galenus bekend was ook in de Islamitische landen. Na 1368 werd in de stad Padua één lijk per jaar beschikbaar gesteld om te ontleden. Er was een begin van klinische geneeskunde en de beroepsgroepen chirurgijns en geneesheren waren ontstaan. Het onderwijs in de wetenschappen had nog geen duidelijk vorm. In 1088 werd in Bologna de eerste universiteit opgericht. Spoedig volgden ander steden: Parijs, Oxford, Salerno, Modena enz. De wijsbegeerte op die universiteiten zat met een groot probleem. De christelijke levensvisie verdroeg zich niet met die van de klassieke oudheid. De teksten van de klassieke filosofen Plato en Aristoteles werden door Thomas van Aquino en Albertus Magnus bestudeerd. Zij probeerden een synthese te maken van de klassieke en christelijke denkbeelden.
De universiteiten werden bevolkt door studenten die daar gratis voeding bier en inwoning kregen (universitas = groep mensen). Ze kregen een bursa, dat was kleed- en zakgeld. Student-zijn betekende tot een bevoorrechte minderheid behoren. De meeste universiteiten werden beheerd door kloosterlingen en lieten alleen kloosterlingen als student toe. Men studeerde veel in andere landen waardoor de nationes ontstonden: afdelingen van studenten met dezelfde herkomst. De studierichtingen waren ondergebracht in faculteiten. De gebouwen zelf waren de colleges (college= broederschap). Die colleges werden steeds zelfstandiger en ontwikkelden een eigen cultuur en status. Men studeerde in de artes liberales, dat waren: grammatica, retorica, dialectiek, rekenkunde, meetkunde, muziek, en astronomie. Daarboven stond de studie in: theologie, medicijnen of rechten.

5.2.6 Muziek

Liederhandschrift
Ridderlijk vermaak.
(Grosse Heidelberger Liederhandschrift, begin 14de eeuw) In kringen van edelen werd de dagelijkse sleur soms doorbroken door rondtrekkende zangers en muzikanten.
Afbeelding: Universitštsbibliothek Heidelberg.

---

De ontwikkeling in de muziek gaat van eenstemmige naar meerstemmige muziek. In de kloosters werd alleen Gregoriaans gezongen maar in de kathedralen klonk heel andere muziek. De kapelmeesters van de Parijse Notre-Dameschool hebben omstreeks 1200 de romaanse kerkmuziek in de organum-stijl verder doorontwikkeld. De lagere stem, de tťnor, werd heel lang aangehouden en de hogere stemmen, soms wel drie, zongen rijke versieringen. Op een enkele lettergreep van een woord zongen de bovenstemmen eindeloos veel tonen. De kerkmuziek vond zijn voorlopige hoogtepunt in het werk van Guillaume de Machaut, die vlak na 1360 zijn beroemde mis schreef. In zijn mis gebruikt Machaut verschillende compositietechnieken. Het Kyrie is bijvoorbeeld geschreven in cantus firmustechniek, dat wil zeggen dat de tenor in lange notenwaarden wordt gezongen terwijl de overige stemmen deze omspelen of in kleinere notenwaarden daarboven zingen. Het Gloria is geschreven in een noot-tegen-noot zetting: de lettergrepen klinken in alle stemmen gelijktijdig.

5.2.7 Liedkunst en literatuur

Na 1250 was het Latijn alleen nog als studietaal in gebruik. Dichters en troubadours schreven in de eigen taal. De liedkunst is ťťn van de kunstvormen die dankzij de hoofse cultuur bloeien. Dichtende hovelingen worden in ItaliŽ en Frankrijk 'vinders' genoemd: trovatori, troubadours of trouvŤres, al naar gelang hun taal. In Duitsland heten ze minnesšnger:minnezangers. Ze worden begeleid door beroepsmusici - minstreels of jongleurs genoemd. Soms ontmoeten de troubadours op wedstrijden, de zogenaamde puys, waar zij elkaar met liederen in plaats van met lansen te lijf gaan. De melodieŽn zijn dikwijls uit de volksmuziek afkomstig.

In de liedkunst werd de vrouw geïdealiseerd en tot hoog verheven, bijna onbereikbaar idool gemaakt. Een voorbeeld is Floire et Blanchefleur. Dat boek werd vertaald tot Floris ende Blanchefloer. Het verhaal stamt zelf uit het Arabisch: Urwa wa Afra. Verhalen in de volkstaal waren er ook: Reinaart de Vos, de Avonturen van koning Arthur en de Ridders van de ronde tafel. Parcival en de Graal. In de literatuur werden Keltische en Germaanse ridderverhalen vermengd met Arabische sagen. De belangrijkste bevorderaars van de literatuur waren de mensen die konden lezen, de adel dus. Die beschermde de troubadours.

5.2.8 Het schrijven

Schrijvende Monnik
Schrijvende monnik (ca. 1170).
Gedurende honderden jaren was de literatuur in de handen van de Kerk. Het kopiŽren en illustreren van teksten vond vrijwel alleen plaats in de scriptoria van de kloosters. De monnik schrijft met een ganzenpen; in de linkerhand houdt hij een inkthoorn.

---

Lompen van kleding waren grondstof voor papier en dat is eeuwenlang zo gebleven. Papier verving het schrijven op perkament, dat geprepareerde schapenhuid was. Het schrijfgereedschap was een pen gesneden uit een rietstengel of een slagpen uit de vleugel van een grote vogel; gans zwaan e.d.

Het scriptorium

Het scriptorium was de schrijfzaal die verbonden was aan een klooster. De leider was de precentor en de schrijvers waren libraii en antiquarii, de kalligrafen. De illustraties werden gemaakt door de rubricatori of miniaturisten.

Wat schreef men zoal?

Men schreef óver, men kopieerde letter voor letter (inclusief fouten) de bijbel en wijsgerige geschriften en later ook antieke teksten. Het spreekt vanzelf dat de verspreiding van boeken vrijwel nihil was. De boeken die een klooster of kapittel bezat lagen vast aan een ketting. Alleen intellectuelen, dus mensen die konden lezen, hadden iets aan boeken. Dat ging snel veranderen: eerst was er het papier waardoor er voldoende materiaal was om op te schrijven. Toen waren daar Procope Waldvogel en Laurens Janszoon de Coster die, onafhankelijk van elkaar, het drukken met losse letters uitvonden. Eerst had men boeken gedrukt met blokken hout waarin de tekst negatief was uitgesneden de z.g. blokboeken. Blokboeken waren al een hele verbetering. De oplagen werden al meteen groter. Maar met de losse drukletter was het hek van de dam. Gutenberg, Elsevier en Manutius zijn namen van boekdrukkers en uitgevers die het boek als communicatiemiddel hebben uitgevonden. Nu had het leren lezen pas zin! In 1480 waren er 1100 kleine drukkerijen in Europa in 1500 al 2500. Men drukte de boeken op losse vellen papier en transporteerde ze ook zo in vaten om beschadiging te voorkomen. Wie een boek kocht ging daarmee naar een boekbinder die het naar wens van de eigenaar inbond en in een leren band zette.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


5.3 uit de kunst

5.3.1 Een algemene karakteristiek

Bouw Kathedraal
Dit miniatuur uit ca. 1460 toont de bouw van een aantal gotische kerken in de verschillende fasen van de werkzaamheden.
---
Kathedraal Troyes
Troyes, Kathedraal Saint-Pierre-et-Saint-Paul.
---

Het woord gotiek komt van gotico dat in het Italiaans synoniem is met 'barbaars'. De gotiek als stijl was veel meer dan de spitsboog in de bouwkunst; het was een andere mentaliteit. Men keek anders tegen de werkelijkheid aan, die werd realistisch uitgebeeld in plaats van primitief schematisch. Gezichtsuitdrukkingen en houdingen van mensen werden natuurgetrouw uitgebeeld. Sommige schrijvers over kunst hebben de Vlaamse schilderkunst in deze tijd Vlaamse primitieven genoemd omdat men de kunst van dat moment in Italië veel beter achtte. Dat idee is nu wel achterhaald.
De gotische stijl verspreidde zich vanuit het Ile de France (de streek rond Parijs) via kloosters, handelswegen, kruistochten en pelgrims over heel Europa. Maar alle landen gingen eigen varianten ontwikkelen op de stijl. De bouwkunst was het belangrijkst, omdat de beeldhouwkunst schilderkunst glazenierkunst e.d. daarvan afhankelijk waren.

5.3.2 De kathedraal

De enorme kerkgebouwen moeten hoog boven de eenvoudige behuizingen in de steden hebben uitgetorend. Behalve de kerk was er niet veel in steen gebouwd: een stadhuis, stadspoorten - dat was het wel zo ongeveer. De bouwkunst van de gotiek werd gekenmerkt door verschillende karakteristieken; de belangrijkste: skeletbouw. Dat betekent dat, in tegenstelling tot het Romaans, er geen dikke vlakke muren zijn, maar slechts pijlers of kolommen die op rijen tussen middenschip en zijbeuken staan en die kruisribgewelven dragen. De vlakken tussen de kolommen werden gevuld met glas-in-loodvensters. Het gewelf bestond uit ribben die uit de kolommen ontsprongen en die een rechthoek overspanden, een travee. De ruimte tussen de elkaar kruisende ribben werd vol gemetseld met steen. Het enorme gewicht van het gewelf veroorzaakte een zijdelingse druk die afgeleid moest worden door luchtbogen die, boven de zijbeuken, schuin naar beneden liepen en op brede steunberen steunden. Die steunberen stonden haaks op de buitenmuur en maakten het gebouw erg breed. De bodem moest wel stevig zijn anders verzakte het gebouw alsnog. Door alle omhooglopende ribben en kolommen heeft de gotische bouwstijl een vertikaal karakter. Een kerk had een lengte-as en een breedte-as: het schip en dwarsschip. De voorzijde had drie ingangen en meestal twee hoge, spitse torens. De achterkant was rond en noemt men het koor. Daar stond het altaar.

Het koor lag dikwijls hoger dan de rest van de kerk, omdat onder het koor een crypte was. Dat was een grafkelder met sarcofagen: grafkisten, van bisschoppen of leden van koninklijke families. Het gewone kerkvolk moest in het schip van de kerk blijven. De grote vensters werden gevuld met gekleurd glas-in-lood. Glasvensters maken was nog geen specialisme, het zag er rond 1150 nog eenvoudig uit. Glas werd gekleurd met metaaloxiden in het glasmengsel. Op het glas werd met 'grisaille' een tekening van portret of handen aangebracht die vast gesmolten werd in een oven. De voorstellingen werden natuurlijk uit de bijbel gekozen of waren scènes uit het leven van een heilige. Door natuurgeweld en brand en oorlogvoering is er niet veel origineel glas meer over. De Saint Chapelle te Parijs (1248) bevat nog de originele en fraaie beglazing die de ruimte is een bijzondere, bijna mystieke mengeling van kleuren dompelt.

Constructie Gotiek

De bekendste gotische kerken zijn:

Plattegrond Sens
Plattegrond van de kathedraal van Sens.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Aan het bouwen van zoiets groots als een kathedraal ging, net als tegenwoordig, een proces van overleg vooraf. Er moest een bouwmeester worden aangetrokken, een specialist die liefst al beroemd was. Keizer Karel IV liet Mathias de Arras uit Noord Frankrijk naar Praag komen om een kathedraal te bouwen. Dat werd dan ook een puur Franse kerk in Bohemen. Als er voldoende geld bijeen was om de bouw te beginnen trok men de loges aan. Dat waren groepen bouwvakkers die van kerk naar kerk trokken en vakbekwaam waren. Zij werden gehuisvest bijna boven op het werk: in de bouwloodsen op het bouwterrein. Alle groepen in de burgerij moesten bijdragen aan de bouw. Dat kon door bouwmateriaal te schenken, lastdieren uit te lenen, personeel beschikbaar te stellen en natuurlijk ook door geld bij te dragen. Meestal verving een nieuwe kerk een oudere maar kleinere kerk. Die werd eerst gesloopt of gedeeltelijk opgenomen in het nieuwe gebouw. Men begon te bouwen aan de zijde van het koor. Als dat klaar was kon de kerk al gebruikt worden. Zolang er geld en middelen beschikbaar waren, bouwde men door. De bouwtijd kon oplopen van 25 tot 100 jaar. Sommige kerken zijn pas in de 19de en 20ste eeuw afgebouwd.

5.3.3 De schilderkunst: Vlaanderen.
Giovanni di Arrigo Arnolfini en Giovanna Cenami, zijn bruid.
Jan van Eyck, 1434.

Arnolfini en zijn bruid
Jan van Eyck, Arnolfini en zijn bruid, 1434.
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Dit schilderij van 60 x 80 cm geeft buitengewoon gedetailleerd een dubbelportret weer van twee mensen die elkaar een huwelijksbelofte doen; een verloving dus. Eigenlijk is het meer een herinnering aan het huwelijk want ze zijn in 1434 getrouwd. Een huwelijksfoto avant la lettre dus. Het handgebaar - zij legt de open hand in zijn hand - is symbolisch voor de trouwbelofte. Maar er zijn meer aanwijzigen: de kaars die brandt bij daglicht symboliseert de vlam van de liefde. Het hondje is het symbool van de trouw. Op de bedstijl staat een knopvormig beeldje, dat is de heilige Margaretha die ontsnapt uit de buik van een draak: Martha is de beschermheilige van de geboorte. Het is een verwijzing naar zwangerschap. Het fruit in de vensterbank en de kralen aan de muur zijn symbolen van de heilige Maagd.
Arnolfini was een raadsman van de hertog van Bourgondië en tevens zijdehandelaar afkomstig uit Lucca in Italië, maar gevestigd in Gent. Het lijkt wel of de schilder Jan van Eyck als getuige aanwezig was bij deze verloving. Op de muur midden- achter staat: Johannes de eyck fuit hinc 1434 (Jan van Eyck is hier geweest). In de bolle spiegel aan de muur zijn de schilder en nog iemand (een tweede getuige?) te zien.
Portretten van individuele personen kwamen toen nog nauwelijks voor en portretten 'ten voeten uit' al helemaal niet. Bovendien schilderde van Eyck, net als zijn broer Hubert, in een nieuwe techniek: met olieverf. Van Eyck was dus vernieuwend bezig en hij was een van schilders uit de late gotiek die de overgang naar de renaissance markeren.

5.3.4 De schilderkunst in het zuiden: Italië
Ambrogio Lorenzetti: Allegorie van het goede en het slechte bestuur, 1338
Muurschildering in de Sala della Pace van het Palazzo Pubblico (stadhuis) te Siena.

Lorenzetti

De titel is eigenlijk nog langer, want de schildering gaat ook over algemeen welzijn en tirannie. De zogenaamde internationale stijl werd ook in Italië toegepast. Men schilderde natuurgetrouw en paste dezelfde motieven toe: uit de bijbel gekozen uiteraard en bepaalde vaste onderwerpen (zoals Maria in de Rozentuin) die in grote gebieden voorkwamen. Hier, in Siena, werd een heel ander en veel zelfbewuster onderwerp, op allegorische wijze, verbeeld: de effecten van goed en slecht bestuur. Op het schilderij zijn de ideeën weergegeven over de taken van een goed bestuur, zoals het vermijden van oorlog plundering en verkrachting, roof, moord en brandstichting. Het streven naar vrede, veiligheid, handel, nijverheid, welvaart en ceremonieel. De stad Siena komt in de schildering voor. Heel nauwkeurig zijn de toen al bestaande gebouwen en stadswallen bekeken en geschilderd. In de straten ziet het leven van alledag er keurig geregeld uit. Het landschap om de stad is een van eerste landschappen die geschilderd zijn. Het schilderen van diepte was tot dan toe niet gebruikelijk.
De schilder Lorenzetti werd zeer gewaardeerd om dit werkstuk en hij werd lid van de stadsraad. Die stadsraad van negen consuls vormde het feitelijke bestuur over de stad.

Lorenzetti
Lorenzetti
Allegorie op het slechte bestuur. Ambrogio Lorenzetti
Afbeelding: Wikimedia Commons.

---

Een deel van de voorstelling ziet er uit als een podium. Daar is de staat voorgesteld met opschriften, attributen en insignis. De personificatie van de staat (de tronende figuur rechts op de afbeelding) stelt het algemeen welzijn voor. Hij heeft het gouden stadszegel in de hand. Boven deze figuur zweven geloof hoop en liefde. Alle figuren stellen begrippen voor zoals: vrede, voorzichtigheid, kracht, grootmoedigheid, matigheid en rechtvaardigheid. Het zijn allegorische figuren. De dame links is de gerechtigheid, met een koord (nauwelijks te zien) verbonden met de hoofdfiguur. Groepen burgers onderaan kijken op naar hun ideaalbeeld.

Op de tegenoverliggende muur is het beeld van slecht bestuur aangebracht met als hoofdfiguur een personificatie van de slechtheid met horentjes op het hoofd.
De schildering is een fresco, dus gemaakt met pigmenten en water op een natte kalklaag, een veel voorkomende en kleurechte manier van decoreren.

© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel, J.Brouwer. Lees de gebruiksvoorwaarden.


5.4 Stijlkenmerken gotische kunst (samenvatting)

Algemene karakteristiek

Naumburg
Beeld in de dom van Naumburg van de stichteres van de kathedraal: Uta von Naumburg.
---

Gotische schilderkunst

Schilderingen van Giotto in Assisi

Inhoud

De onderwerpen zijn meestal heiligenlevens en Bijbelverhalen. De boodschap van het verhaal is belangrijker dan een natuurgetrouwe uitbeelding. Symboliek helpt om de betekenis te begrijpen. In de late gotiek komt er meer belangstelling voor de natuur. We zien dan scŤnes uit het dagelijks leven, landschappen en steden op de achtergrond verschijnen. Ook portretten, van bijvoorbeeld stichters en schenkers, zijn dan niet meer ongebruikelijk.

Veel schilders in de gotiek proberen de emotie van personages uit de verhalen te laten zien en tegelijk te zoeken naar poŽtische schoonheid.


Tres Riches Heures
Tronende Maagd met engelen. Cimabue, ca 1290-95.
---

Vorm

Schilderkunst vinden we in manuscripten (miniaturen), als muurschilderingen, als glas-in-loodramen, op altaarstukken.

Er is een groot verschil tussen de gotische schilderkunst van ItaliŽ en die ten noorden van de Alpen.


ItaliŽ

In ItaliŽ overheerst tot de 14e eeuw de Byzantijnse stijl die Vasari de 'Maniera Greca' (Griekse manier) noemde:


Giotto introduceert in ItaliŽ een dramatisch geladen realisme, zijn schilderingen worden toneelmatige scŤnes:

Ten noorden van de Alpen

Ten noorden van de Alpen steven de Gotische kunstenaars naar expressie en verfijnde elegantie.

Vormen hebben scherpe contouren en zijn meestal plastisch gemaakt met licht en donker.

Onder invloed van de stijgende macht van de steden, kooplieden en gilden, steeds meer wereldse onderwerpen, die natuurgetrouwer van vorm worden.


Functie

In kerken: overbrengen van de christelijke leer op een menselijke, gemakkelijk aansprekende manier.

In boeken: zeer uiteenlopende voorstellingen ter illustratie van de tekst.

In kastelen en paleizen: ook scŤnes uit de riddercultuur of decoratief bedoelde afbeeldingen.


Gotische beeldhouwkunst

Inhoud

Straatsburg
De Verleider en drie van de Zeven Dwaze Maagden. Beeldhouwwerk op de dom van Straatsburg (Frankrijk).
---

Onderwerpen zijn religieus: Christus, Maria, heiligen.

Gotische kathedraalsculptuur ontleent zijn betekenis dikwijls aan de context. Beelden maken dan deel uit van reeksen of groepen: heiligen, allegorische figuren, profeten, koningen, evangelisten, apostelen, engelen, wijze en dwaze maagden, kruisigingsgroepen, grafleggingsgroepen, laatste oordeel, kroning van Maria enz.

Op minder in het oog springende plaatsen zien we ook scŤnes uit het dagelijks leven (ambachten, landleven, jaargetijden), monsters en gedrochten (bijvoorbeeld in de vorm van waterspuwers) met veel loof- en rankwerk.

Grafmonumenten tonen een (geÔdealiseerd) beeld van de overledene(n), liggend, zittend of zelfs te paard.


Vorm

De beeldhouwkunst is meestal gebonden aan de architectuur. Bijvoorbeeld in de kerkportalen aanwezig volgens vaste iconografische programma's. Aanvankelijk 'in de architectuur gevangen' pilaarfiguren. Gaandeweg losser en beweeglijker met uitingen van emoties.


Kenmerken zijn verder:

In ItaliŽ laten gotische beeldhouwers zich beÔnvloeden door Romeinse reliŽfs. Zij maken compacte, verhalende reliŽfs met figuren die anatomisch, proportioneel en ruimtelijk tamelijk natuurgetrouw zijn weergegeven.

In de late gotiek de eerste grote vrijstaande beelden en ruiterstandbeelden.


Functie

Overbrengen van de Christelijke leer, visualiseren en symboliseren van geloofswaarheden, opwekken van devotie en beroeren van de ziel.


Gotische bouwkunst

Kathedraal van Noyon

Inhoud

De kathedraal is de weerslag van het denken, geloven en kunnen van de middeleeuwse mens.

Het belangrijkste doel van de gotische bouwkunst is om zoveel mogelijk licht het gebouw binnen te laten stromen, als een 'vertaling' in steen van het traktaat 'Over de Hemelse hiŽrarchie' (De hierarchia coelesti), waarin de hiŽrarchie van de engelen wordt beschreven en God gelijk wordt gesteld aan licht. In 1137 heeft abt Suger bij de bouw van de kooromgang van de abdijkerk van St.Denis voor het eerst de gotische bouwstijl laten toepassen.


Vorm

Ornamenten Gotiek
Kathedraal van Amiens, detail van de gevel.
---

Streven naar grote vensters en een open, verticale structuur. Bij de gotische bouwstijl wordt het gewicht en de druk van het gewelf via ribben, luchtbogen en steunberen afgevoerd. De muur verliest zijn dragende functie. We spreken dan van skeletbouw.

Nieuwe decoratieve vormen zoals driepassen (A) en vierpassen (B), maaswerk (C), wimbergen (frontalen, D), pinakels (E), kruisbloemen (F).

Er worden ook stadhuizen, gildehuizen, markthallen, lakenhallen, belforts en andere burgerlijke gebouwen in gotische stijl gebouwd.


Er zijn drie fasen in de ontwikkeling van de kathedraal:

Verspreiding over Europa met name door de cisterciŽnzers en de bedelorden.


Functie

De kathedraal is in veel opzichten het centrum van de stad. Zij is zowel het centrum van geestelijk leven als het symbool van burgerlijke trots en welvaart.

In burgerlijke gebouwen onderstreep de gotische stijl de status van de opdrachtgever(s).


© Auteursrechten (tenzij anders vermeld): belpaese.nl / N.Jongeneel. Lees de gebruiksvoorwaarden.




Valid HTML 4.01 Transitional